God bestaat niet. Hij leeft!
Klik om in te schrijven
Bijbelleesrooster
Bijbelvertaling
Dag 146 Dag 147Dag 148

Psalmen hoofdstuk 111

1
Hallelujah! Aleph. Ik zal den HEERE loven van ganser harte; Beth. In den raad en vergadering der oprechten.
2
Gimel. De werken des HEEREN zijn groot; Daleth. zij worden gezocht van allen, die er lust in hebben.
3
He. Zijn doen is majesteit en heerlijkheid; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in der eeuwigheid.
4
Zain. Hij heeft Zijn wonderen een gedachtenis gemaakt; Cheth. de HEERE is genadig en barmhartig.
5
Teth. Hij heeft degenen, die Hem vrezen, spijs gegeven; Jod. Hij gedenkt in der eeuwigheid aan Zijn verbond.
6
Caph. Hij heeft de kracht Zijner werken Zijn volke bekend gemaakt; Lamed. hun gevende de erve der heidenen.
7
Mem. De werken Zijner handen zijn waarheid en oordeel; Nun. al Zijn bevelen zijn getrouw.
8
Samech. Zij zijn ondersteund voor altoos, en in eeuwigheid; Ain. zijnde gedaan in waarheid en oprechtigheid.
9
Pe. Hij heeft Zijn volke verlossing gezonden; Tsade. Hij heeft Zijn verbond in eeuwigheid geboden; Koph. Zijn Naam is heilig en vreselijk.
10
Resch. De vreze des HEEREN is het beginsel der wijsheid; Schin. allen, die ze doen, hebben goed verstand; Thau. Zijn lof bestaat tot in der eeuwigheid.

Psalmen hoofdstuk 112

1
Hallelujah! Aleph. Welgelukzalig is de man, die den HEERE vreest; Beth. die groten lust heeft in Zijn geboden.
2
Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde; Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.
3
He. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.
4
Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis; Cheth. Hij is genadig, en barmhartig, en rechtvaardig.
5
Teth. Wel dien man, die zich ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijn zaken met recht.
6
Caph. Zekerlijk, hij zal in der eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.
7
Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vrezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den HEERE.
8
Samech. Zijn hart, wel ondersteund zijnde, zal niet vrezen; Ain. totdat hij op zijn wederpartijen zie.
9
Pe. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftige; Tsade. zijn gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Koph. zijn hoorn zal verhoogd worden in eer.
10
Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

Psalmen hoofdstuk 113

1
Hallelujah! Looft, gij knechten des HEEREN! looft den Naam des HEEREN.
2
De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
3
Van den opgang der zon af tot haar nedergang, zij de Naam des HEEREN geloofd.
4
De HEERE is hoog boven alle heidenen, boven de hemelen is Zijn heerlijkheid.
5
Wie is gelijk de HEERE, onze God? Die zeer hoog woont.
6
Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
7
Die den geringe uit het stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt;
8
Om te doen zitten bij de prinsen, bij de prinsen Zijns volks.
9
Die de onvruchtbare doet wonen met een huisgezin, een blijde moeder van kinderen. Hallelujah!

Psalmen hoofdstuk 114

1
Toen Israel uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk, dat een vreemde taal had;
2
Zo werd Juda tot Zijn heiligdom, Israel Zijn volkomene heerschappij.
3
De zee zag het, en vlood; de Jordaan keerde achterwaarts.
4
De bergen sprongen als rammen, de heuvelen als lammeren.
5
Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?
6
Gij bergen, dat gij opsprongt als rammen? gij heuvelen! als lammeren?
7
Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;
8
Die den rotssteen veranderde in een watervloed, den keisteen in een waterfontein.

Psalmen hoofdstuk 115

1
Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.
2
Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?
3
Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.
4
Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;
5
Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;
6
Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;
7
Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.
8
Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.
9
Israel! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
10
Gij huis van Aaron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
11
Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.
12
De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israel zegenen, Hij zal het huis van Aaron zegenen.
13
Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.
14
De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.
15
Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.
16
Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven.
17
De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.
18
Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!

Psalmen hoofdstuk 116

1
Ik heb lief, want de HEERE hoort mijn stem, mijn smekingen;
2
Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
3
De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der hel hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.
4
Maar ik riep den Naam des HEEREN aan, zeggende: Och HEERE! bevrijd mijn ziel.
5
De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
6
De HEERE bewaart de eenvoudigen; ik was uitgeteerd, doch Hij heeft mij verlost.
7
Mijn ziel! keer weder tot uw rust, want de HEERE heeft aan u welgedaan.
8
Want Gij, HEERE! hebt mijn ziel gered van de dood, mijn ogen van tranen, mijn voet van aanstoot.
9
Ik zal wandelen voor het aangezicht des HEEREN, in de landen der levenden.
10
Ik heb geloofd, daarom sprak ik; ik ben zeer bedrukt geweest.
11
Ik zeide in mijn haasten: Alle mensen zijn leugenaars.
12
Wat zal ik den HEERE vergelden voor al Zijn weldaden aan mij bewezen?
13
Ik zal den beker der verlossingen opnemen, en den Naam des HEEREN aanroepen.
14
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
15
Kostelijk is in de ogen des HEEREN de dood Zijner gunstgenoten.
16
Och, HEERE! zekerlijk ik ben Uw knecht, ik ben Uw knecht, een zoon Uwer dienstmaagd; Gij hebt mijn banden losgemaakt.
17
Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
18
Mijn geloften zal ik den HEERE betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al Zijn volk.
19
In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

Psalmen hoofdstuk 117

1
Looft den HEERE, alle heidenen; prijst Hem, alle natien!
2
Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!

Psalmen hoofdstuk 118

1
Looft den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.
2
Dat Israel nu zegge, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
3
Het huis van Aaron zegge nu, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
4
Dat degenen, die den HEERE vrezen, nu zeggen, dat Zijn goedertierenheid in der eeuwigheid is.
5
Uit de benauwdheid heb ik den HEERE aangeroepen; de HEERE heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.
6
De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
7
De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
8
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.
9
Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op prinsen te vertrouwen.
10
Alle heidenen hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
11
Zij hadden mij omringd, ja, zij hadden mij omringd; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
12
Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.
13
Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.
14
De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
15
In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
16
De rechterhand des HEEREN is verhoogd; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.
17
Ik zal niet sterven, maar leven; en ik zal de werken des HEEREN vertellen.
18
De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.
19
Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
20
Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.
21
Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.
22
De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden.
23
Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
24
Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.
25
Och HEERE! geef nu heil; och HEERE! geef nu voorspoed.
26
Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
27
De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
28
Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
29
Loof den HEERE, want Hij is goed; want Zijn goedertierenheid is in der eeuwigheid.

Even een vraag

Hoe vaak heb jij de Bijbel in het geheel gelezen?

Deel deze pagina via

Volg ons via twitter @egkaleo

Agenda

  • 28 05 2017
    samenkomst met Ronald Lammers 10:00 to 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 27:10-10
Want mijn vader en mijn moeder hebben mij verlaten, maar de HEERE zal mij aannemen.