De grote vijand van de waarheid is meestal niet de leugen, opzettelijk, bedrieglijk en oneerlijk, maar de mythe, vasthoudend, overtuigend en onrealistisch. Vaak houden we vast aan de clichés van onze voorgangers. We toetsen alle feiten op een aantal voorgekauwde interpretaties. We hebben vaak een mening zonder ergens over na te denken.
J.F. Kennedy
  • 29 04
    samenkomst met David van Wijck 10:00 tot 11:30
  • 06 05
    samenkomst met Oby Vossema 10:00 tot 11:30
  • 13 05
    samenkomst met Jan van der Hoek 10:00 tot 11:30
  • 17 05
    Bijbelstudie-avond met Hoite Slagter - thema: Studies uit het Lukas-evangelie 20:00 tot 21:30
  • 29 04 - 17 05
  • 20 05 - 10 06
  • 17 06 - 08 07
  • 15 07 - 05 08
  • 12 08 - 02 09
  • 09 09 - 30 09
  • 07 10 - 07 10
Klik om in te schrijven
Bijbelleesrooster
Bijbelvertaling
Dag 4 Dag 5Dag 6

Job hoofdstuk 6

1
Maar Job antwoordde en zeide:
2
Och, of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijn ellende samen in een weegschaal ophief!
3
Want het zou nu zwaarder zijn dan het zand der zeeen; daarom worden mijn woorden opgezwolgen.
4
Want de pijlen des Almachtigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt; de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.
5
Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?
6
Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?
7
Mijn ziel weigert uw woorden aan te roeren; die zijn als mijn laffe spijze.
8
Och, of mijn begeerte kwame, en dat God mijn verwachting gave;
9
En dat het Gode beliefde, dat Hij mij verbrijzelde, Zijn hand losliet, en een einde met mij maakte!
10
Dat zou nog mijn troost zijn, en zou mij verkwikken in den weedom, zo Hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.
11
Wat is mijn kracht, dat ik hopen zou? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zou?
12
Is mijn kracht stenen kracht? Is mijn vlees staal?
13
Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?
14
Aan hem, die versmolten is, zou van zijn vriend weldadigheid geschieden; of hij zou de vreze des Almachtigen verlaten.
15
Mijn broeders hebben trouwelooslijk gehandeld als een beek; als de storting der beken gaan zij door;
16
Die verdonkerd zijn van het ijs, en in dewelke de sneeuw zich verbergt.
17
Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.
18
De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
19
De reizigers van Thema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.
20
Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daartoe komen, zo worden zij schaamrood.
21
Voorwaar, alzo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.
22
Heb ik gezegd: Brengt mij, en geeft geschenken voor mij van uw vermogen?
23
Of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tirannen?
24
Leert mij, en ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan, waarin ik gedwaald heb.
25
O, hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen, dat van ulieden is?
26
Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de redenen des mismoedigen voor wind zijn?
27
Ook werpt gij u op een wees; en gij graaft tegen uw vriend.
28
Maar nu, belieft het u, wendt u tot mij, en het zal voor ulieder aangezicht zijn, of ik liege.
29
Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen, ja, keert weder; nog zal mijn gerechtigheid daarin zijn.
30
Zou onrecht op mijn tong wezen? Zou mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?

Job hoofdstuk 7

1
Heeft niet de mens een strijd op de aarde, en zijn zijn dagen niet als de dagen des dagloners?
2
Gelijk de dienstknecht hijgt naar de schaduw, en gelijk de dagloner verwacht zijn werkloon;
3
Alzo zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.
4
Als ik te slapen lig, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en Hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen tot aan den schemertijd.
5
Mijn vlees is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijn huid is gekliefd en verachtelijk geworden.
6
Mijn dagen zijn lichter geweest dan een weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.
7
Gedenk, dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen, om het goede te zien.
8
Het oog desgenen, die mij nu ziet, zal mij niet zien; uw ogen zullen op mij zijn; maar ik zal niet meer zijn.
9
Een wolk vergaat en vaart henen; alzo die in het graf daalt, zal niet weder opkomen.
10
Hij zal niet meer wederkeren tot zijn huis, en zijn plaats zal hem niet meer kennen.
11
Zo zal ik ook mijn mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes; ik zal klagen in bitterheid mijner ziel.
12
Ben ik dan een zee, of walvis, dat Gij om mij wachten zet?
13
Wanneer ik zeg: Mijn bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijn klacht wat wegnemen;
14
Dan ontzet Gij mij met dromen, en door gezichten verschrikt Gij mij;
15
Zodat mijn ziel de verworging kiest; den dood meer dan mijn beenderen.
16
Ik versmaad ze, ik zal toch in der eeuwigheid niet leven; houd op van mij, want mijn dagen zijn ijdelheid.
17
Wat is de mens, dat Gij hem groot acht, en dat Gij Uw hart op hem zet?
18
En dat Gij hem bezoekt in elken morgenstond; dat Gij hem in elken ogenblik beproeft?
19
Hoe lang keert Gij U niet af van mij, en laat niet van mij af, totdat ik mijn speeksel inzwelge?
20
Heb ik gezondigd, wat zal ik U doen, o Mensenhoeder? Waarom hebt Gij mij U tot een tegenloop gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?
21
En waarom vergeeft Gij niet mijn overtreding, en doet mijn ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen; en Gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet zijn.

Job hoofdstuk 8

1
Toen antwoordde Bildad, de Suhiet, en zeide:
2
Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en de redenen uws monds een geweldige wind zijn?
3
Zou dan God het recht verkeren, en zou de Almachtige de gerechtigheid verkeren?
4
Indien uw kinderen gezondigd hebben tegen Hem, Hij heeft hen ook in de hand hunner overtreding geworpen.
5
Maar indien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt;
6
Zo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal Hij nu opwaken, om uwentwil, en Hij zal de woning uwer gerechtigheid volmaken.
7
Uw beginsel zal wel gering zijn; maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.
8
Want vraag toch naar het vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.
9
Want wij zijn van gisteren en weten niet; dewijl onze dagen op de aarde een schaduw zijn.
10
Zullen die u niet leren, tot u spreken, en uit hun hart redenen voortbrengen?
11
Verheft zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water?
12
Als het nog in zijn groenigheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nochtans verdort het voor alle gras.
13
Alzo zijn de paden van allen, die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan.
14
Van denwelke zijn hoop walgen zal; en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spinnekop.
15
Hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan; hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.
16
Hij is sappig voor de zon, en zijn scheuten gaan over zijn hof uit.
17
Zijn wortelen worden bij de springader ingevlochten; hij ziet een stenige plaats.
18
Maar als God hem verslindt uit zijn plaats, zo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.
19
Zie, dat is vreugde zijns wegs; en uit het stof zullen anderen voortspruiten.
20
Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; Hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;
21
Totdat Hij uw mond met gelach vervulle, en uw lippen met gejuich.
22
Uw haters zullen met schaamte bekleed worden; en de tent der goddelozen zal niet meer zijn.

Job hoofdstuk 9

1
Maar Job antwoordde en zeide:
2
Waarlijk, ik weet, dat het zo is; want hoe zou de mens rechtvaardig zijn bij God?
3
Zo Hij lust heeft, om met hem te twisten, niet een uit duizend zal hij Hem beantwoorden.
4
Hij is wijs van hart, en sterk van kracht; wie heeft zich tegen Hem verhard, en vrede gehad?
5
Die de bergen verzet, dat zij het niet gewaar worden, Die ze omkeert in Zijn toorn;
6
Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;
7
Die de zon gebiedt, en zij gaat niet op; en verzegelt de sterren;
8
Die alleen de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;
9
Die den Wagen maakt, den Orion, en het Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;
10
Die grote dingen doet, die men niet doorzoeken kan; en wonderen, die men niet tellen kan.
11
Zie, Hij zal voor mij henengaan, en ik zal Hem niet zien; en Hij zal voorbijgaan, en ik zal Hem niet merken.
12
Zie, Hij zal roven, wie zal het Hem doen wedergeven? Wie zal tot Hem zeggen: Wat doet Gij?
13
God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
14
Hoeveel te min zal ik Hem antwoorden, en mijn woorden uitkiezen tegen Hem?
15
Denwelken ik, zo ik rechtvaardig ware, niet zou antwoorden; mijn Rechter zal ik om genade bidden.
16
Indien ik roep, en Hij mij antwoordt; ik zal niet geloven, dat Hij mijn stem ter ore genomen heeft.
17
Want Hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijn wonden zonder oorzaak.
18
Hij laat mij niet toe mijn adem te verhalen; maar Hij verzadigt mij met bitterheden.
19
Zo het aan de kracht komt, zie, Hij is sterk; en zo het aan het recht komt, wie zal mij dagvaarden?
20
Zo ik mij rechtvaardig, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, Hij zal mij toch verkeerd verklaren.
21
Ben ik oprecht, zo acht ik toch mijn ziel niet; ik versmaad mijn leven.
22
Dat is een ding, daarom zeg ik: Den oprechte en den goddeloze verdoet Hij.
23
Als de gesel haastelijk doodt, bespot Hij de verzoeking der onschuldigen.
24
De aarde wordt gegeven in de hand des goddelozen; Hij overdekt het aangezicht harer rechteren; zo niet, wie is Hij dan?
25
En mijn dagen zijn lichter geweest dan een loper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien.
26
Zij zijn voorbijgevaren met jachtschepen; gelijk een arend naar het aas toevliegt.
27
Indien mijn zeggen is: Ik zal mijn klacht vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen, en mij verkwikken;
28
Zo schroom ik voor al mijn smarten; ik weet, dat Gij mij niet onschuldig zult houden.
29
Ik zal toch goddeloos zijn; waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?
30
Indien ik mij wasse met sneeuwwater, en mijn handen zuivere met zeep;
31
Dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn klederen zullen van mij gruwen.
32
Want Hij is niet een man, als ik, dien ik antwoorden zou, zo wij te zamen in het gericht kwamen.
33
Er is geen scheidsman tussen ons, die zijn hand op ons beiden leggen mocht.
34
Dat Hij van op mij Zijn roede wegdoe, en dat Zijn verschrikking mij niet verbaasd make;
35
Zo zal ik spreken, en Hem niet vrezen; want zodanig ben ik niet bij mij.

Deel deze pagina via

Volg ons via twitter @egkaleo

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Romeinen 6:7-7
Want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.