| Inhoudsopgave |
|---|
| Begint de Gemeente met Pinksteren? |
| pagina 2 |
| pagina 3 |
| pagina 4 |
| pagina 5 |
| pagina 6 |
| pagina 7 |
| Alle pagina's |
Pagina 1 van 7
In 1929 verscheen de brochure van broeder S. van Mierlo met de titel "Begint de Gemeente met Pinksteren". Deze brochure is in vraag en antwoordstijl opgezet.De oorspronkelijke tekst is zo veel mogelijk aangehouden (wel zijn de dubbele klinkers en sch uitgangen aangepast). Broeder van Mierlo ging logischerwijs uit van de Statenvertaling.
Broeder A gaat uit van het standpunt dat de gemeente in Handelingen 2, op de Pinksterdag ontstond.
Broeder B gaat er van uit dat de gemeente, het Lichaam van Christus pas na Handelingen 28 is ontstaan.
We hopen dat het beschikbaar stellen van deze oude brochure u aan het denken mag zetten en een aansporing mag zijn om Gods Woord te onderzoeken of deze dingen alzo zijn (net als de broeders en zusters in Berea, zie Handelingen 17 vers 11).
Tip: als je rechts boven op de linkse button klikt, kun je deze brochure uitprinten en is deze beter leesbaar.
Je kunt de brochure ook in pdf-formaat downloaden:
| Broeder A | Broeder B |
| Het doet mij steeds genoegen u te ontmoeten, daar wij beiden op dezelfde rots steunen: de Schrift, Gods Woord, door Hem geheel ingegeven. Maar het spijt mij ook telkens weer, dat wij toch in menig opzicht van gedachte verschillen. Ik begrijp ook niet hoe u zo afgezonderd kunt blijven en niet eenvoudig aanvaarden, wat vrome en geleerde vaderen onderzocht hebben. | Wees verzekerd, dat ik veel liever het met u en anderen zou willen eens zijn dan van mening verschillen. Voor vrome en geleerde mensen heb ik alle eerbied, doch zij zullen zelf de laatsten zijn, om te beweren, dat hun blik op de Schriften in alle opzichten de juiste is. Hun gedachten zal ik dus wel in ernst overwegen, maar ik ben verplicht ze aan Gods Woord te toetsen. |
| Ik vrees, dat dit getuigt van hoogmoed. Wilt u het dan beter weten dan Luther dan Calvijn, om niet te spreken van zovele andere Godsmannen? | Zijn die mensen het met elkaar in alles eens? Zo niet, dan moet u toch ook kiezen? En op welke grond? Wat zou u aan een Rooms-Katholiek antwoorden, als deze u van hoogmoed beschuldigde, omdat u het beter wil weten dan de Katholieke Kerk? Op grond van de Schriften vertrouw ik, dat elke gelovige, hoe eenvoudig ook, door Gods Geest zal geleid worden, als hij Gods Woord onderzoekt met het doel er Zijn wil en Zijn werken in te leren kennen. Het is waar, dat de waarheid moeilijk te dragen is en kennis licht opgeblazen maakt. Maar hij, die God wil verheerlijken, zal op Hem kunnen rekenen. Juist als alle hoogmoed of vleselijk doeleinde uitgesloten is, kan men tot de volle waarheid komen. |
| Maar om de Bijbel te onderzoeken, moet men toch voorbereid zijn, moet men allerlei dingen kennen. U zegt zelf, dat een vertaling niet geheel te vertrouwen is, dan moet u toch bijvoorbeeld Grieks kennen om de manuscripten te lezen? | De kennis waarvan u nu spreekt is wel behulpzaam en nuttig, maar voor een groot deel niet onontbeerlijk. Gods Woord verklaart zichzelf. Andere kundigheden kunnen ook soms een beletsel zijn. En voor wat het Grieks betreft, geef ik toe, dat de kennis ervan zeer belangrijk is en dat gelovige ouders hun kinderen misschien beter Grieks zouden kunnen laten leren, dan andere talen, die dikwijls maar voor stoffelijke winst in aanmerking komen. Maar ... zo heel veel Grieks is er ook weer niet nodig. Men kan grotendeels op een vertaling steunen en alleen dan tot het Grieks zijn toevlucht nemen, als de een of andere zaak, door het gebruik van een bepaald Grieks woord of een bepaalde woordvorm beslist moet worden. Er zijn verder hulpmiddelen zoals bijvoorbeeld de kanttekeningen van de Statenvertaling of van andere vertalingen. |
| Ik moet u eerlijk bekennen dat naar mijn mening, juist hier de oorzaak ligt, waarom u het met anderen niet eens bent: als iets uw opvatting in de weg staat, dan tracht u het Grieks zo te verdraaien, dat het met uw gedachten overeenkomt. Zo is het ook met dat zonderlinge boek "Het voornemen der eeuwen" (dit is een boek wat broeder van Mierlo heeft geschreven). | Wit u mij toelaten eerst nog een woord te zeggen over de kennis van het Grieks? Ik beweer, dat u zelfs zonder de minste kennis van die taal, toch in veel gevallen op de grondtekst kunt steunen. U gelooft dat de Bijbel letterlijk is ingegeven; dan moet u ook aannemen, dat elk woord door de Heilige Geest juist gekozen is. Een zin is samengesteld uit woorden en de betekenis ervan kan geheel door een enkel woord gewijzigd worden. De vertalers zijn meestal wel verplicht geweest de zin met voldoende juistheid te vertalen, maar in enkele woorden kunnen zij zich dikwijls vergissen. |
| Juist! U houdt ook niet van de Statenvertaling! | Ik meen ze even hoog te schatten als u, maar als ik mij wil vergewissen of de vertalers het juiste woord gekozen hebben, dan sla ik mijn concordantie op en zoek, zonder kennis van het Grieks, op welke plaatsen hetzelfde Griekse woord nog voorkomt. In de meeste gevallen zal een onderzoek van die plaatsen mij een betere gedachte geven van de juiste betekenis van dat Griekse woord, dan alle geleerden bij elkaar. Ik herhaal: de Schrift verklaart zichzelf. Ik wil hiervan een voorbeeld geven en u tevens antwoorden op uw beschuldiging dat ik de teksten verdraai, om ze met mijn persoonlijke mening te doen overeenstemmen. |
| Sta mij toe vrijuit te spreken: ik vertrouw u niet, omdat uw zienswijze in zoveel opzichten verschilt van de algemeen aangenomen gedachten. Maar ik ben bereid mijn oordeel over u te wijzigen, als u mij kunt overtuigen. Voor wat het Grieks betreft, moet ik al dadelijk toegeven, dat ook hier weer de deskundigen het niet eens zijn. Als wij de Bijbel alleen zouden kunnen laten spreken, zou dit zeker van onschatbare waarde zijn. | Ik dank u omdat u zo verdraagzaam bent en mijn verdediging wilt aanhoren; onder christenen is dit helaas dikwijls niet het geval. Zo wordt Aristarkos (een pseudoniem van Van Mierlo) de schrijver van "Het voornemen der eeuwen" ook meestal veroordeeld zonder onderzoek, alleen omdat die uitlegger of dat tijdschrift het anders menen. Zonder bitterheid zeg ik dat velen van heiligmaking en liefde spreken en kennis misprijzen, doch als men in iets hun mening niet deelt, zijn zij hun liefde vergeten en plaatsen zij hun kennis boven alles. Ik geloof dat er evenwicht moet bestaan tussen al onze gaven. Zijn zij niet in strijd met elkaar, doch vullen elkaar aan. Maar nu een voorbeeld. Toen ik vroeger las, was mijn mening, dat de zin " de wereld door het Woord Gods is toebereid" betrekking had op de schepping en ik zag niet het minste verband met Efeze 4 vers 12 "tot volmaking der heiligen" . Toen ik echter de concordantie opsloeg, bleek het, dat wereld letterlijk eeuwen (of beter aionen) is. Verder, dat toebereid en volmaking van hetzelfde werkwoord stammen. Mijn streven was nu niet een mening te doen zegevieren. Ik liet mijn mening voor wat ze waard was: niets en trachtte mij uit Gods Woord een mening te vormen, die juister was. De concordantie toonde aan, dat in Mattheus 4 vers 21 ook het Griekse woord, door toebereid en volmaking vertaald, gebruikt is. Het betreft hier een zeer eenvoudige zaak, die volkomen binnen het begrip valt van elk mens: hun netten vermakende. Zij maakten de netten niet, zij bereiden ze toe, zij volmaakten ze niet. Nee, zij waren bezig ze opnieuw toe te bereiden en de Heilige Geest koos het woord, dat juist deze betekenis had. Voor volmaken en toebereiden kon de Heilige Geest een ander woord nemen. Het net was eens toebereid geweest, doch versleten of gescheurd en het moest opnieuw toebereid worden. Neem ik nu eeuwen en opnieuw toebereid letterlijk, dan zie ik dat in Hebreeen 11 vers 3 iets gezegd wordt, dat overeenstemt met vele andere plaatsen, die van een reeks eeuwen spreken, elkaar opvolgend, doch niet gelijkend; niet uit elkaar voortvloeiend, maar steeds door God opnieuw toebereid. Een nieuw begin, een nieuwe kans, en het einde ... een mislukking van de mens. U begrijpt dus: 1 dat ik Gods Woord voor zichzelf laat spreken; 2 dat ik mijn voorlopige mening over iets wijzig volgens het licht dat ik ontvang, maar niet omgekeerd mijn mening, of die van anderen, als uitgangspunt neem. |
| U hebt mij niet overtuigd, maar ik begrijp nu toch enigszins beter uw houding. Als men werkelijk zo te werk gaat, moet men dichter bij de waarheid komen. Maar waarom nemen de meesten uw gevolgtrekkingen dan niet aan? | Omdat niemand van ons volmaakt is. Ik net zomin als een ander ben altijd geneigd God te verheerlijken. Wij zijn zo dikwijls bereid een menselijke gedachte te verdedigen. Tot de waarheid komt men echter alleen dan als men God in zich wil laten werken. |
| En daarin komen wij allen te kort, dat is waar. Paulus wist hoe nodig het was niet op te houden "te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; opdat gij moogt wandelen waardig de Here" (Kolossenzen 1 vers 9 en 10). | Mag ik u doen opmerken dat kennis niet de gewone kennis is, zoals bijvoorbeeld in Efeze 3 vers 19, maar letterlijk bovenkennis. Deze wordt ons, zoals zoveel andere dingen door God aangeboden en wij moeten ze slechts ontvangen. Dat kan ieder kind van God zonder geleerdheid. En indien twee mensen al die bovenkennis zouden aanvaarden, zouden zij het in alles eens zijn. Verkiest u de kennis van vromen mensen? |
| Nee, ik zie nu nog beter in, hoe u deze dingen opvat. U wil met Gods hulp onderzoeken of de kennis van onze leraars wel overeenkomt met Gods bovenkennis en als u dat in alle oprechtheid, zonder eigen verheerlijking doet, stem ik toe, dat u dan ook de dingen soms anders kunt zien dan zij. Maar het zou mij toch zwaar vallen geen volkomen vertrouwen te hebben in de belijdenis van mijn kerk. | Ik begrijp u. Het is inderdaad een ernstige zaak, als men door Gods Woord gedrongen, een punt van zijn vroegere belijdenis niet meer kan beamen. U moet dit voor Gods aangezicht brengen. Ik wil er u alleen aan herinneren, dat geen mens ooit beweerd heeft, dat uw belijdenis nu juist de zuivere waarheid weergeeft. U weet dat bijvoorbeeld de Gereformeerde kerk in het 7e artikel van haar belijdenis schrijft Men mag ook geen mensenschrift, hoe heilig zij geweest zijn, gelijkstellen met de Goddelijke Schrift, noch de gewoonte met de waarheid Gods (want de waarheid is boven alles), noch de grote menigte, noch de oudheid, noch de opeenvolging van tijden of personen, noch een concilie, decreet of besluit; want alle mensen zijn uit zichzelf leugenaars en ijdeler dan de ijdelheid zelf. Een belijdenis is nuttig voor zover ze overeenkomstig de Schrift is, maar mag niet als de volkomen uitdrukking van de gehele waarheid beschouwd worden. |
| Zelfs als u sommige dingen juister zou inzien, zou ik toch voor de gevolgen vrezen. | Uw bedoeling is, dat u vreest voor de gevolgen, die het verkondigen van deze dingen zou kunnen hebben voor zwakke gelovigen? Men moet zich door Gods Geest laten leiden. De waarheid kan, onhandig gebruikt, inderdaad sommigen tot een hindernis zijn. Een hongerige moet men het eten voorzichtig toedienen. Maar niets laat ons toe hem onzuiver eten te geven. Kan u overigens de gevolgen overzien van uw tegenwoordige handelswijze? Hier is Abraham mij tot voorbeeld, hij ging uit door het geloof, niet wetende waar hij komen zou (Hebreeën 11 vers 8). U kunt de gevolgen gerust in Gods handen laten. Als u met een Rooms Katholiek over het Evangelie spreekt, vreest hij ook voor de gevolgen. Is het misschien beter hem maar bij zijn overlevering te laten? Nee, beste vriend, men spreekt aldus omdat men de dingen nog niet duidelijk inziet. Men denkt dan ook dikwijls iets te zullen verliezen, omdat men de rijkdommen niet bemerkt, die ons deel worden als wij los laten wat wij vroeger beschouwden als het meest waardevolle. |
| Ik wil over dit alles nog eens rustig nadenken. Bij een volgende gelegenheid wil u het misschien met mij wel eens over de Gemeente hebben. Dat boek van Aristarkos, zit mij nog wel dwars. Waar haalt die man toch vandaan, dat de Gemeente niet met Pinksteren zou beginnen? Had hij dan nog gezegd, dat de Gemeente eigenlijk altijd bestaan heeft! | Laat ons de zaak eens rustig onderzoeken. Aristarkos is een mens, die evengoed kan dwalen als een ander en u heeft gelijk heel voorzichtig te zijn, als hij met iets nieuws komt. Laat ons dit onderzoek biddend voorbereiden. |
| Wij zouden eigenlijk moeten beginnen bij het eerste vers van het Oude Testament, maar om ons onderzoek over de Gemeente echter zo kort mogelijk te houden, is het misschien voldoende met Adam te beginnen. Nemen wij de Schrift letterlijk aan, dan moeten wij geloven dat God Adam als een koning over de aarde wilde aanstellen: "Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt u en vervult de aarde, onderwerpt haar en heb heerschappij over de vissen der zee, over het gevogelte des hemels en over al het gedierte dat op de aarde kruipt" (Genesis 1 vers 28). |
Juist, maar dan zien we ook dat Adam faalde. Gods doel was een koninkrijk op te richten op aarde en daartoe zal Hij komen, niettegenstaande alle onwil en tegenstand van zijn schepselen. Ziet u enig verband tussen de roeping van Adam en Mattheus 25 vers 34: "Dat koninkrijk hetwelk u bereid is van de grondlegging van de wereld" ? |
| Broeder A | Broeder B |
| Nee, want het Nieuwe Testament spreekt over het Koninkrijk der hemelen. De Here Jezus zelf zei: "Mijn koninkrijk is niet van deze wereld" (Johannes 18 vers 36). | Maar Hij zegt ook "Zalig zijn de zachtmoedigen, want zij zullen het aardrijk beërven" (Mattheus 5 vers 5). Wilt u even in de concordantie nagaan welk Grieks woord gebruikt wordt voor van in Johannes 18 vers 36? |
| Ik zie dat het hetzelfde woord is, dat bijvoorbeeld gebruikt wordt in Mattheus 1 vers 3 "Judas gewon Fares en Zara bij Thamar" . In Mattheus 2 vers 6 is het vertaald door uit "Want uit U zal de Leidsman voortkomen" . Ook de andere teksten, waar dit Griekse woord gebruikt is, duiden aan dat het spreekt van de oorsprong of het uitgangspunt van iets. | Zegt Johannes 18 vers 36 dan, dat het koninkrijk in de hemelen is? |
| Nee inderdaad, er is alleen sprake van de oorsprong. Dat koninkrijk zou niet door menselijke macht komen, maar zou een hemelse oorsprong hebben. Maar kan het daarom toch ook niet in de hemel zijn? | Natuurlijk kan dit, maar het door u aangehaalde vers zegt het niet. Het kan ook op aarde zijn. Wij zullen verder vanzelf hierop terugkomen. Denk intussen eens aan Daniël 2 en 7. In het 27e vers van dit laatste hoofdstuk zegt Daniël: "maar het rijk en de heerschappij en de grootheid van de koninkrijken onder de ganse hemel" . Denk er ook aan, dat de Here Jezus de tweede Adam genoemd wordt. Wat de eerste door ongehoorzaamheid verloor, zou de tweede door zijn getrouwheid ontvangen. Laat ons nu even over satan spreken. Hij stelt zich steeds tegenover Christus en tracht Gods voornemen te doen mislukken. Eerst zien wij dat bij Adam en verder wordt ons in Genesis 3 vers 15 een blijvende vijandschap geopenbaard tussen het zaad van de vrouw en dat van de slang. |
| U bedoelt dat satan zich tegen het oprichten van Gods koninkrijk zal verzetten zoveel hij kan? Ja dat geloof ik ook. Hij werkt in Kain, die "uit de boze" (1 Johannes 3 vers 12), door de "zonen gods" verdierf hij het gehele mensdom, uitgezonderd Noach (Genesis 6 vers 9), gebruikt de Kanaanieten tegen Gods volk en na een voortdurende tegenstand op alle mogelijke wijzen, richt hij zich tegen Christus, als Deze in het vlees komt om Zijn koninkrijk op ter richten. Eerst schijnt het, alsof satan zegeviert, maar het kruis is juist zijn ondergang. Na vele andere dingen, die God steeds gebruikt om tot Zijn doel te komen, weten wij ook dat satan ten slotte de anti Christus zal gebruiken om te trachten zijn koninkrijk in de plaats van dat van God op te richten. | Laat ons nu heel in het kort nagaan welke wegen God volgt om tot Zijn koninkrijk te komen. Na de mislukking met Adam, wordt de heerschappij aan Noach gegeven (Genesis 9 vers 1 t/m 17). Dan zien wij hoe Sem in het bijzonder wordt aangeduid (Genesis 9 vers 26) en daarna Abraham. God sluit met Abraham een reeks verbonden, die in het bijzonder een bepaald volk, het "zaad" betreffen. Dat volk zou het hele land Kanaan bezitten (Genesis 15 vers 18;17 vers 6 t/m 10). Maar "in" dit zaad zouden alle volken der aarde gezegend worden (Genesis 12 vers 1 t/m 3; 22 vers 15 t/m 18). Welk volk wordt hier bedoeld? |
| Het volk Israel natuurlijk, omdat dat verbond met Izak zou worden opgericht (Genesis 17 vers 21) en dan ook weer bevestigd wordt in betrekking met Jakob (Genesis 28 vers 3, 4 en 14). | U gelooft natuurlijk ook, dat Gods genadegiften en roepingen onberouwelijk zijn (Romeinen 11 vers 29). Dan heeft Israel dus nog een schitterende toekomst. |
| Nee, dat geloof ik nu juist niet. Ik geloof, dat de Gemeente in de plaats van Israel gekomen is en dat al die zegeningen nu op haar geestelijk moeten worden toegepast. Zegt Romeinen 9 vers 6 niet, dat niet allen Israel zijn, die uit Israel zijn? En wordt er geen geestelijk Israel geplaatst tegenover "Israel dat naar het vlees is" (1 Korinthe 10 vers 18)? | Mag ik u vragen Romeinen 9 vers 6 nog eens te herlezen, wij zijn overeengekomen onze eigen gedachten te toetsen aan Gods Woord. Spreekt dit vers van volken? |
| Nee, inderdaad, het spreekt alleen over Israel en de vorige en volgende verzen ook. Het zegt alleen dat alle vleselijke nakomelingen van Jakob niet noodzakelijk als Israel moeten gerekend worden. | En wat laat u toe te veronderstellen, dat sommigen uit de volken geestelijk Israel zouden genoemd mogen worden? Wel kunnen we twee soorten Israelieten onderscheiden Israel, dat naar het vlees is en de Israelieten, die kinderen der beloftenis genoemd worden (Romeinen 9 vers 8). Romeinen 2 vers 29 zegt ook niet méér, dan dat alle Joden geen ware Joden zijn. U moet onderscheid maken tussen: 1 Ongelovige Joden (Israel naar het vlees); 2 Gelovige Joden (geestelijk Israel); 3 Ongelovige heidenen (heidenen naar het vlees); 4 Gelovige heidenen (geestelijk heidendom). Wij zullen ook verder zien, al is er in Christus eenheid, er steeds naar het vlees, dit is voor wat betreft de natuurlijke toestand, verschil bestaat tussen Israel en de volken, ten minste zolang Israel als Gods volk gerekend wordt. Maar laat ons verder gaan. Na Jakob hebben we Juda en dan Mozes. Gaf God de wet aan de volken? |
| Nee, aan Israel alleen, maar de volken kunnen ze daarom toch wel toepassen. | Ja, de geest van de wet, maar geen van de bijzondere dingen, die het volk (Israel) betreft als het in het land (Palestina) is. Hebt u opgemerkt dat de hoofdzaak van de wet het hart betreft? De uitwendige vormen maakten er een onafscheidbaar deel van uit, maar kwamen toch slechts in de tweede plaats. Laat ons bijvoorbeeld Deuteronomium 6 vers 5 en 10 vers 12 en 13 lezen. En dan Leviticus 19 vers 18 "Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf", klinkt dat niet Nieuw Testamentisch? |
| Inderdaad, ik dacht altijd meer uitsluitend aan offeranden, tempeldienst enzovoort als ik over de wet van Israel las. | De Israelieten kenden Gods wil "zijnde onderwezen uit de wet" zegt Romeinen 2 vers 18. En die wet moesten zij eeuwig blijven vervullen. |
| Dit is een vergissing van u, de wet zou met Christus ophouden, dat weet toch iedereen. Ik dacht dat u juist zoveel voelde voor het onderscheiden van de bedelingen en in het bijzonder van deze drie: Wet-genade-koninkrijk. Als u nu aanneemt, dat de Joden nog een toekomst hebben gedurende het koninkrijk, dan moeten zij daar toch zeker de wet niet meer te volgen! | Het is zeer nodig te onderscheiden tussen de tijdperken, waarin God de mensen in andere toestanden plaatst, onder een ander rentmeesterschap, maar dergelijke verdelingen moeten niet oppervlakkig zijn en in alle opzichten aan Gods Woord kunnen worden getoetst. Dat de wet eeuwig is zie ik bijvoorbeeld uit Exodus 27 vers 21 en 28 vers 43 en zovele andere plaatsen. Hoe wij dit kunnen overeenbrengen met andere delen van de Schrift, zullen we afwachten. Ik kan u echter reeds dit zeggen: als het een moeilijkheid is aan te nemen, dat voor Israel de wet eeuwig is, dan is die moeilijkheid door de uitleggers zelf geschapen. Vooreerst betekent eeuwig niet zonder eind en ten tweede moeten wij onderscheiden tussen wet en Oude Verbond. Aangaande de uitdrukkingen eeuwigheid en dergelijke stel ik u voor de concordantie te raadplegen en te onderzoeken of die uitdrukkingen noodzakelijk de betekenis hebben van altijddurend. |
| Ik zie dat het meestal de vertaling is van het Hebreeuwse olaam, dat inderdaad een beperkte tijdruimte aanduidt. Ik neem maar twee voorbeelden: "en zijn heer zal hem met een priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen" (Exodus 21 vers 5 en 6). Verder zegt 1 Samuël 1 vers 22 "Tot in eeuwigheid" , terwijl vers 11 diezelfde tijdsruimte aangeeft als "al de dagen van zijn leven" . | Wij hebben reeds een woord over de eeuwen gezegd, hoe belangrijk deze zaak ook is, wij kunnen er hier niet verder over uitweiden. De conclusie is, dat de wet niet altijd zal moeten worden gevolgd, maar wel zolang de eeuwen of sommigen van die eeuwen zullen duren. |
| Wij hebben het daar later nog wel over. Ik ben echter benieuwd te horen welk verschil u wil maken tussen de wet en het Oude Verbond. | Wel, dit is zeer eenvoudig, en juist daarom niet opgemerkt. De wet is eeuwig, het Oude Verbond is niet eeuwig, dat wil zeggen zal niet de gehele eeuw, of eeuwen, door blijven duren, maar zou door Christus vervangen worden door een Nieuw Verbond. De wet gaf geheel Gods wil voor Zijn volk, het Oude Verbond bestond hierin dat Israel op zich nam die wet te volgen in eigen kracht (Exodus 19 vers 3 tot en met 8 enzovoort); zij dachten gerechtvaardigd te kunnen worden op grond van werken van de wet (Romeinen 10 vers 5) en stelden zich aldus onder de vloek (Galaten 3 vers 10) en waren in slavernij (Galaten 4 vers 3), onder de wet. Wij zullen dit alles verder nauwkeuriger onderzoeken. Laat ons die dingen intussen voor ogen houden en aan Gods Woord toetsen. |
| Ja voorlopig kan ik met u meegaan, maar ik wil zeer voorzichtig zijn. | Wees voorzichtig als een slang. Wij zijn overeengekomen geen stelsel te verdedigen of op te bouwen, maar te trachten tot de waarheid te komen. Wij kunnen elkaar wederkerig geen betere dienst bewijzen, dan de gebrekkigheid van onze gevolgtrekkingen uit de Schriften aan te tonen. Als wij maar steeds een open gemoed hebben en niet vasthouden aan vooropgestelde meningen of aan voorlopige gevolgtrekkingen. Bent u bereid Deuteronomium 30 vers 1-10 letterlijk te geloven? Ik lees hier: van de bekering van Israel, van hun vergadering uit al de volken, van het erfelijk bezitten van het land, van de besnijdenis van hun harten, hun zegeningen enz. |
| Ik geloof dat alles, maar het betreft zeker de terugkeer uit de ballingschap in het verleden? | Dat wil zeggen, dat bij die terugkeer deze profetie misschien had moeten vervuld worden. De zaak is evenwel: werd ze vervuld? Had Israel God lief met haar ganse ziel? Is de Here wedergekeerd? Hebben zij zich tot Hem bekeerd met geheel hun ziel en geheel hun hart? Was Israel toen "een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk" (Exodus 19 vers 6)? |
| Nee, inderdaad, dit schijnt te bevestigen, dat Israel nog een toekomst heeft, maar ik wil toch verder zien of dit kan worden volgehouden op grond van de gehele Bijbel. | En wat denkt u van 2 Samuël 7 vers 10 t/m 16 en van de profeten, zoals bijvoorbeeld Jesaja 49 vers 6 "het is te gering, dat Gij Mij een Knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jakob en om weder te brengen de bewaarden in Israel: Ik heb u ook gegeven tot een licht der heidenen, om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde" . Steeds wordt de aandacht gevestigd op de zegeningen, die de volken deelachtig zullen zijn als Israel zich zal bekeren. Er zijn ook reeds aanduidingen, zoals in Deuteronomium 32 vers 21, die er op wijzen dat de volken ook om zo te zeggen voor hun tijd zullen gezegend worden om Israel tot ijver te verwekken. God verkoos een volk uit om de andere volken tot zegen te zijn. Alle uitverkiezing Gods is ten bate, niet ten koste van het overige. Steeds eigenden zij zich echter alle zegeningen toe en keerden zich af van God. Maar ten slotte zullen zij toch Gods werktuig zijn onder de volken. Lees bijvoorbeeld Jesaja 66 vers 19 "en zij zullen Mijn heerlijkheid onder de heidenen verkondigen" . Dan zullen zij in werkelijkheid een koninklijk priesterdom zijn. Ook Jeremia spreekt zo duidelijk over hun toekomst en het koninkrijk (Jeremia 23 vers 3 t/m 8) en dan Ezechiël (11 vers 16 t/m 20; 34 vers 12 t/m 24; 37). Hij geeft ook de beschrijving van de toekomstige tempel, de offeranden, de sabbat, de besnijdenis enz. U ziet dat wij ook hier moeten aannemen, dat de vormen van de wet gedurende het koninkrijk, door Israel moeten waargenomen worden. Laat mij ten slotte nog melden Hosea 3 vers 4 en 5; Amos 9 vers 11 t/m 15; Micha 4 vers 1 t/m 5; Zacharia 6 vers 12 en 13; 14 vers 16 en nog zoveel andere teksten. |
Laatst aangepast op maandag 28 februari 2011 14:16

















Laadt Enquête...