Ga eens op de lat zitten in plaats van hem steeds hoger te leggen!

Datum:
Schriftgedeelte:
Lukas 20:9-20:19
Serie:
Spreker:
Hits:
1626
Toelichting:
Lukas 20:
9 En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Iemand plantte een wijngaard en verhuurde die aan landbouwers en ging een tijd lang naar het buitenland.
10 En toen het de tijd was, stuurde hij een slaaf naar de landbouwers, opdat zij hem een deel van de opbrengst van de wijngaard zouden geven. De landbouwers echter sloegen hem en stuurden hem met lege handen weg.
11 En hij stuurde nog een andere slaaf, maar zij sloegen ook hem, behandelden hem schandelijk en stuurden hem met lege handen weg.
12 Daarna stuurde hij nog een derde, maar zij verwondden ook deze en wierpen hem eruit.
13 En de heer van de wijngaard zei: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon sturen. Als zij deze zien, zullen zij mogelijk ontzag voor hem hebben.
14 Maar toen de landbouwers hem zagen, overlegden zij onder elkaar en zeiden: Dit is de erfgenaam. Kom, laten we hem doden, opdat de erfenis van ons zal worden.
15 En toen zij hem buiten de wijngaard geworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard met hen doen?
16 Hij zal komen en die landbouwers ombrengen en zal de wijngaard aan anderen geven. En toen zij dit hoorden, zeiden zij: Dat nooit.
17 Maar Hij keek hen aan en zei: Wat betekent dan dit wat geschreven staat: De steen die de bouwers verworpen hebben, is tot een hoeksteen geworden?
18 Ieder die op die steen valt, zal verpletterd worden en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen.
19 En de overpriesters en schriftgeleerden probeerden op datzelfde moment de hand aan Hem te slaan. Zij waren echter bevreesd voor het volk, want zij begrepen dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had.
 
Loading Player...

Deel deze pagina via

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Agenda

  • 17 12 2017
    samenkomst met Frans Voskamp 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 103:2-2
Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;