Hoe iemand 'over komt' is voor de mens belangrijker dan zijn mening
  • 29 04
    samenkomst met David van Wijck 10:00 tot 11:30
  • 06 05
    samenkomst met Oby Vossema 10:00 tot 11:30
  • 13 05
    samenkomst met Jan van der Hoek 10:00 tot 11:30
  • 17 05
    Bijbelstudie-avond met Hoite Slagter - thema: Studies uit het Lukas-evangelie 20:00 tot 21:30
  • 29 04 - 17 05
  • 20 05 - 10 06
  • 17 06 - 08 07
  • 15 07 - 05 08
  • 12 08 - 02 09
  • 09 09 - 30 09
  • 07 10 - 07 10

Datum:
Schriftgedeelte:
2Koningen 14:23-14:27; Jona 1:1-1:7
Serie:
Spreker:
Hits:
2089
Toelichting:
2 Koningen 14:23-27
23 In het vijftiende jaar van Amázia, den zoon van Joas, den koning van Juda, werd te Samaria koning, Jeróbeam, de zoon van Joas, koning van Israël, [en regeerde] een en veertig jaren. 24 En hij deed dat kwaad was in de ogen des HEEREN; hij week niet van alle zonden van Jeróbeam, den zoon van Nebat, die Israël zondigen deed. 25 Hij bracht ook weder de landpale van Israël van den ingang van Hamath, tot aan de zee van het vlakke veld; naar het woord des HEEREN, des Gods van Israël, dat Hij gesproken had door den dienst van Zijn knecht Jona, den zoon van Amitthai, den profeet, die van Gath-Hefer was. 26 Want de HEERE zag, dat de ellende van Israël zeer bitter was, en dat er geen opgeslotenen noch verlatenen waren, en dat Israël geen helper had. 27 En de HEERE had niet gesproken, dat Hij den naam van Israël van onder den hemel verdelgen zou; maar Hij verloste hen door de hand van Jeróbeam, den zoon van Joas.

Jona 1:1-7
1 En het woord des HEEREN geschiedde tot Jona, den zoon van Amitthai, zeggende: 2 Maak u op, ga naar de grote stad Nínevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor Mijn aangezicht. 3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip, gaande naar Tarsis, en hij gaf de vracht daarvan, en ging neder in hetzelve, om met henlieden te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des HEEREN. 4 Maar de HEERE wierp een groten wind op de zee; en er werd een grote storm in de zee, zodat het schip dacht te breken. 5 Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijn god, en wierpen de vaten, die in het schip waren, in de zee, om [het] van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder, en was met een diepen slaap bevangen. 6 En de opperschipper naderde tot hem, en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uw God, misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan. 7 Voorts zeiden zij, een ieder tot zijn metgezel: Komt, en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten, om wiens wil ons dit kwaad [overkomt]. Alzo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.
Loading Player...

Deel deze pagina via

Volg ons via twitter @egkaleo

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 23:1-1
Een psalm van David. De HEERE is mijn Herder, mij zal niets ontbreken.