The missing link... een theorie is zo sterk als zijn zwakste schakel

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Dit artikel is welwillend beschikbaar gesteld door de Stichting Israel en de Bijbel en is opgenomen in het IB magazine 37e jaargang nummer 4 van 2006.
In dit artikel aandacht voor het ontstaan en de ontwikkeling van het Bijbels Hebreeuws. Interessant, maar bovenal belangrijk, als we beseffen dat de HEERE in deze taal Zijn Woord aan Israel en via Israel ook aan ons geschonken heeft. Wie zich gaat bezighouden met het Hebreeuws, ook al is het oppervlakkig, krijgt al gauw liefde voor de taal. Je ruikt als het ware de inkt en de perkamenten. Je ziet in gedachten de Joodse schrijver in uiterste concentratie letter voor letter (uit)tekenen. Maar het meest indrukwekkende is, dat je bezig bent met een tekst die tot en met de jota de tittel, het Woord van God is. En daar moet elke vertaling, hoe nauwkeurig ook, het tegen af leggen.

Hebreeuws als Semitische taal
Het Bijbels Hebreeuws, de taal waarin het grootste gedeelte van het Oude Testament is geschreven, wordt gerekend tot de Semitische talen. Tot deze taalfamilie behoren ongeveer 70 talen en/of dialecten die bepaalde kenmerken gemeenschappelijk hebben. Semitische talen werden en worden nog steeds met name in het Nabije Oosten gesproken en geschreven. Er behoren bekende talen toe, zoals bijvoorbeeld Arabisch en Aramees, maar ook minder bekende, zoals het Maltees (een Arabisch dialect dat gesproken wordt op het eiland Malta), Asjor (een Aramees dialect in de Kaukasus) of Socotrees (een taal die gesproken wordt op Socrota, een eiland in de Golf van Aden). Veel talen van de Semitische taalfamilie worden momenteel niet meer gesproken; ze zijn een 'dode taal' geworden, en we kennen ze alleen nog door middel van bewaard gebleven documenten, zoals inscripties en kleitabletten (Akkadisch bijvoorbeeld). Dit geldt ook voor het Klassiek of Bijbels Hebreeuws, dat we alleen kennen vanuit de Hebreeuwse Bijbel en epigrafisch materiaal (bijv. de Siloam-inscriptie) De term 'Semitisch' werd voor het eerst gebruikt door A.L. Schlazer, een Duitse taalgeleerde uit de achttiende eeuw. Hij duidde met deze term de talen aan die werden gesproken door de Arameeers, Hebreeers en de Arabieren. De term zelf ontleende hij aan de zogenaamde 'volkerentafel', Genesis 10:21-31, waarin de afstammelingen van Sem worden genoemd. Nu is de term Semitisch in zoverre verwarrend, dat de afstammelingen van Sem en 'Semitisch talen' elkaar niet helemaal dekken. Zo is bijvoorbeeld het Elamitisch (Elam is volgens Genesis 10:22 een zoon van Sem) geen Semitische taal. Daarentegen spraken bijvoorbeeld de Kanaanieten (die met de Sidoniers tot de afstammelingen van Cham worden gerekend (Gen. 10:6 en 15), wel weer een Semitische taal. Tot de Kanaanitische taalgroep behoort ook het Hebreeuws, naast het Moabitisch, Ammonitisch en Fenicisch. Het Hebreeuws heeft zich wellicht mede ontwikkeld uit dat Kanaanitische dialect dat de Israelieten bij de verovering van het 'beloofde land' aantroffen en overnamen en waarvoor zij hun moedertaal (waarschijnlijk een aan het oud Aramees verwant idioom, vgl. Deut. 26:5) vrijwel geheel hebben opgegeven. Het Hebreeuws kan dus met recht een 'tale Kanaans' genoemd worden (Jesaja 19:18). Later, na de Babylonische Ballingschap, keert het Aramees weer terug (de bijbelboeken Ezra en Daniel zijn deels in het Aramees geschreven!). De Semitische talen vertonen onderling veel overeenkomsten, te vergelijken met bijvoorbeeld die van de Germaanse taalgroep (met o.a. Nederlands, Duits, Fries en Deens). Tegenwoordig rekent men binnen de taalwetenschap de Semitische talen tot een groter verband van talen, die men aanduidt met de term "Chamito-Semitisch" of "Afro-Aziatisch". (Bron: P. Siebesma, Handleiding bij de studie van het Bijbels Hebreeuws, Barneveld 2003

Het Hebreeuwse alfabet
In Kanaan, het gebied van de tegenwoordige staten Syrie, Libanon, Israel en Jordanie, werd zowel het spijkerschrift (afkomstig uit Mesopotamie) als het hierogliefenschrift (afkomstig uit Egypte) gebruikt. In de jaren na 2000 voor Christus kwamen er nieuwe schriftvormen in zwang en rond 1000 voor Christus was er een systeem van slechts 22 tekens ontstaan, waarmee elk woord kon worden geschreven. Wel werden, net als in Egypte, alleen de medeklinkers opgeschreven. Dit schrift, dat het Fenicische alfabet wordt genoemd, wijkt af van het spijkerschrift en van de hierogliefen omdat elk teken één medeklinker aanduidt en niet langer een geheel woord of een lettergreep. Dit type schrift noemen we een alfabet, naar de eerste twee letters van het Griekse alfabet, alfa en beta. Waarschijnlijk is de vorm van de letters ontleend aan tekeningen van voorwerpen, zoals dat bij een beeldschrift ook het geval is. Het verschil is echter dat met het teken niet het gehele woord wordt bedoeld, maar alleen de eerste medeklinker. Net als iemand doet wanneer hij bij het telefoneren zijn naam spelt: U spreekt met Esther: Eduard, Simon, Theodoor, Hendrik, Eduard, Rudolf. Een schematische tekening van een handpalm (kaf) werd een 'k', een brandmerk (taw) werd een 't', enzovoort. In de loop van de eeuwen zijn de tekens verder vereenvoudigd en soms omgedraaid. Zo zal niemand meer in de huidige alef de getekende runderkop zien, die de oorsprong van de letter is. Het Fenicisch schrift werd door andere volkeren overgenomen. Zij wijzigden de vorm van de letters enigszins en soms de klankwaarde; ook werden wel letters toegevoegd. Op deze manier ontstonden het Hebreeuwse, het Aramese en het Griekse alfabet, de drie schriftsystemen die de bijbelschrijvers hebben gebruikt. Hoewel het grootste deel van het Oude Testament oorspronkelijk in het Oudhebreeuwse schrift zal geschreven zijn, is dat niet het alfabet waarin de Hebreeuwse tekst nu wordt gedrukt of geschreven. Daarvoor gebruikt men het Aramese kwadraatschrift (kwadraat genoemd naar de vierkante vorm van de letters), dat reeds vóór de tijd van Jezus het Oudhebreeuwse schrift grotendeels had verdrongen. Het Hebreeuwse alfabet bestaat uit tweeentwintig tekens voor medeklinkers. De klinker- en accenttekens die nu in de Bijbel staan, zijn er een à twee millennia(!) later aan toegevoegd door Joodse overleveraars, masoreten geheten, om de correcte klassieke uitspraak (in de synagoge) precies vast te leggen. Dat de gebruikelijke volgorde van de letters (alef - bet - gimel - dalet, etc.) al heel oud is, blijkt onder meer uit de zogenaamde alfabetische psalmen: per halfvers: Psalm 111 en 12; per vers: Psalm 25, 34, 145 en Spreuken 31:10-31; per strofe: Psalm 37 en Klaagliederen (deels); per stanza: Psalm 119. (Bron: J. Blok, Het verhaal van de Bijbel, Haarlem 2000)

De tekstgeschiedenis van de Hebreeuwse Bijbel
Het Hebreeuws is een medeklinkertaal, dat wil zeggen een taal die, op schrift gesteld, alleen uit medeklinkers bestaat, consonanten geheten. De tekst van de Hebreeuwse Bijbel is dus een consonantentekst; de klinkertekens zijn er pas in een later stadium aan toegevoegd. Hoe is die toevoeging in z'n werk gegaan? Wanneer we de geschiedenis van de Hebreeuwse bijbeltekst nagaan, dan valt het op dat we over betrekkelijk weinig (vergelijkings)materiaal beschikken. De oorspronkelijke bijbelhandschriften, de zgn. 'autografen', zijn er niet meer of... zijn nog niet ontdekt. De oudste Hebreeuwse bijbelhandschriften die we kennen, zijn de zogenaamde 'Dode Zeerollen', die in 1947 (aan de vooravond van de stichting van de staat Israel!) zijn ontdekt bij Qumran aan de Dode Zee, en ook op andere plaatsen in de woestijn van Juda (o.a. Masada). Deze handgeschreven bijbelrollen zijn te dateren rond het begin van onze jaartelling. Tot op het moment van deze ontdekking hadden we - afgezien van veel incomplete Hebreeuwse bijbelhandschriften - slechts de beschikking over de zogenaamde 'Codex Leningradensis', die gekopieerd is in 1008/9 na Christus en waarin de volledige Bijbel (de 39 boeken van het Oude Testament) door één hand zijn overgeschreven. Een codex is een in een band bijeengehouden handschrift; i.t.t. een boekrol.

Vergelijking van de Dode Zeerollen met de Codex Leningradensis heeft aan het licht gebracht dat er weliswaar genoeg verschillen tussen beide handschriften zijn (Jesaja 53 bijv. telt 23 afwijkingen ten opzichte van de gangbare Hebreeuwse tekst), maar dat deze verschillen niet zozeer de hoofdinhoud van de tekst als wel de spelling en schrijfwijze ervan betreffen.
Intussen doet het gegeven dat de tekst getrouw is overgeleverd het gemis aan de authentieke handschriften minder zwaar wegen. Maar op dit punt beschikken we dus (nog) niet over vergelijkingsmateriaal. Wat we weten is dat omstreeks het jaar 100 na Christus de Hebreeuwse bijbeltekst zoals wij die nu kennen, vaststaat, zowel wat omvang als tekst betreft.

Maar... dat zijn dan alleen nog maar de medeklinkers. En zelfs voor een geoefend lezer valt het nog niet altijd mee om daar een verstaanbaar geheel van te maken. De vraag is daarom: Wanneer, waarom en op welke wijze zijn er klinkertekens aan de medeklinkertekens toegevoegd?

Er zijn drie - samenhangende - oorzaken aan te wijzen die aanleiding hebben gegeven tot vastlegging van de bijbeltekst, inclusief de klinkerklanken (door middel van klinkertekens die niet oorspronkelijk zijn).

1. In de eerste plaats was er de oorzaak van de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 na Christus door de Romeinen, welke verwoesting tevens de ondergang inluidde van de tempel en tempeldienst. De Joden raakten daarmee hun geografisch en geestelijk orientatiepunt kwijt en werden over de wereld verstrooid: de zogenaamde 'diaspora'. Sindsdien hebben Joden zich met grote hartstocht geworpen op de schriftelijke overlevering van de bijbeltekst; het wegvallen van het centrale heiligdom te Jeruzalem deed de behoefte gevoelen aan een gezaghebbende tekst van de heilige geschriften.

2. De tweede oorzaak is gegeven met het feit dat het Hebreeuws al ruim voor het begin van de gebruikelijke jaartelling geen gesproken taal meer was. Ten tijde van de omwandeling van de Heere Jezus op aarde sprak men in Israel Aramees of Grieks. De wereldwijde verstrooiing van de Joden deed aan het Hebreeuws als spreektaal bepaald geen goed: Joden namen begrijpelijkerwijs de taal over van het land waar ze zich vestigden. Kennis van uitspraak en betekenis dreigde daarmee verloren te gaan. Tot 1948 bleef het Hebreeuws een zogenaamde 'dode' of 'heilige' taal, vooral in gebruik voor religieuze doeleinden (vergelijk het kerklatijn uit de Middel Eeuwen).

3. De derde oorzaak is de snelle opkomst en uitbreiding van de jonge christelijke kerk. De 'christenen' (Messias-belijdende Joden!) beriepen zich op dezelfde geschriften als de andere Joden deden, en in die onderlinge strijd was het van belang een betrouwbare tekst te bezitten. De door Grieks sprekende Joden tot stand gebrachte Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, de Septuagint, stond aanvankelijk in hoog aanzien bij het jodendom als geheel (en Grieks was de voertaal van die dagen). Maar toen de Septuagint ook zeer intensief gebruikt werd door christen-joden én heiden-christenen enerzijds om er hun geloofswaarheden uit te bewijzen, daalde haar autoriteit en waarde in klassiek Rabbijns-Joodse kringen zo sterk dat men terugviel op de oude Hebreeuwse bijbeltekst. En het is deze oude Hebreeuwse bijbeltekst die in de Reformatie uitgangspunt werd voor de landsvertalingen.

Zo werd dus aan de Hebreeuwse tekst de grootst mogelijke zorg besteed. In de eeuwen na het jaar 100, hebben schriftgeleerden van naam hard gewerkt aan allerlei notities en filologische (taal- en letterkundige) verklaringen rondom de tekst, die deze moesten beschermen tegen corruptie, verandering, onnauwkeurig kopieren, uitbreiding of verkorting.

De schriftgeleerden die deze speciale taak vanaf 100 na Chr. op zich genomen hebben, noemen we masoreten, afgeleid van het woord masora, dat 'traditie' of 'overlevering' betekent. Bij de benaming masoreten ('overleveraars') denken we vooral aan die Joodse bijbelgeleerden die, voortbouwend op de grondslagen van hun voorgangers, tussen 500 en 900 na Christus het omvangrijke werk van vocalisatie en punctuatie hebben ontwikkeld en voltooid. (Vocalisatie: vocaaltekens aanbrengen; punctuatie: leestekens aanbrengen.)

De masoreten hebben ons de Hebreeuwse Bijbel gegeven in de vorm waarin we haar nu kennen. Deze tekst noemen we dan ook de Masoretische Tekst (MT). Dit in onderscheid tot bijvoorbeeld de Qumran Tekst (QT).

(Bron: W. Bloemendaal, De tekst van het Oude Testament, Baarn 1966)

Iets over leesmoeders

Vele eeuwen voor het uitgebalanceerde systeem van klinkertekens dat wij nu kennen, in gebruik was gekomen, had men een minder fijnmazig maar afdoend klinkerstelsel ontwikkeld waarmee in elk geval de belangrijkste klinkers in een woord konden worden aangeduid.

In het Hebreeuws worden de waw en de yod zo uitgesproken dat men ze voor een deel als de klinkers (oe) en (ie) hoorde; waw en yod heten niet voor niets halfvocalen. Men is ze ook voor die klinkers gaan gebruiken, het eerst aan het einde van woorden (ong. 9e eeuw v. Chr.), later ook middenin (ong. 7e eeuw v. Chr.).

Zoals gezegd zijn deze leesmoeders in het Hebreeuws vanaf de negende eeuw v. Chr. in gebruik gekomen, terwijl ze in het nauw verwante Fenicisch bijna geheel achterwege zijn gebleven. Het gebruik in het midden van een woord was beperkt en niet aan voorschriften gebonden; ieder kon ze schrijven of weglaten. Na de ballingschap werden ze echter steeds meer geschreven; deze ontwikkeling is het verst gekomen in een aantal handschriften van Qumran: in een aantal bijbelse en in vele niet-bijbelse teksten.

(Bron: J. Hoftijzer, Hebreeuws en Aramees als bijbeltalen, Bijbels Handboek, Kampen 1981)

De uitspraak

Er zijn ruwweg drie uitspraken van het Bijbels Hebreeuws: de Jemenitische uitspraak (gebruikt door Joden in Jemen), de Sefardische uitspraak (deze wordt gebruikt in de Portugees-Joodse gemeente van Amsterdam en in de Sefardisch-Joodse gemeenten in het buitenland), en de Askenazische uitspraak, die door de meerderheid van de Joodse gemeenten in Europa en Amerika gebruikt wordt. De aanduidingen Sefardisch en Askenazisch zijn ontleend aan de Bijbel. In Obadja vers 20 is sprake van Sefarad, dat volgens Joodse bijbeluitleggers de benaming van Spanje is. Het woord Askenazisch is ontleend aan Genesis 10:3 en Jeremia 51:27, waar gesproken wordt over Askenaz, waarmee volgens Joodse exegese Duitsland wordt bedoeld.

In de vroege Middeleeuwen kende Europa twee belangrijke Joodse centra: Spanje en Duitsland. Vandaar dat de Joodse inwoners geduid werden als respectievelijk Sefardische en Askenazische Joden. Ze verschilden niet alleen van elkaar in uitspraak van het Hebreeuws, maar ook in hun religieuze gebruiken. Na de verdrijving van de Sefardische Joden uit Spanje (in 1492) en later ook uit Portugal, vestigden dezen zich vooral in Noord-Afrika, Turkije (Istanbul, Bulgarije, Joegoslavie [Sarajevo], Griekenland [Saloniki] en ook in Amsterdam. De Askenazische Joden vestigden zich, vanwege vervolgingen ten tijde van de Kruistochten, vooral in Oost-Europa (Polen).

Het was de Duitse humanist Reuchlin (1455-1522) die het Hebreeuws als vak op de universiteiten in Europa introduceerde. Omdat hij een Sefardische Jood als leraar had gehad, werd ook aan de universiteiten de Sefardische uitspraak gehanteerd. (En zijn grammatica is ook door de kerkhervormer Luther gebruikt!) Toen de Joden aan het eind van de 19e eeuw onder bezieling van het Zionisme het Hebreeuws weer ging gebruiken als gesproken, 'levende' taal, kwam men voor de vraag te staan, welke uitspraak men moest hanteren. Onder invloed van Eliezer ben Yehuda werd gekozen voor de Sefardische uitspraak, hoewel de meerderheid van de Joodse immigranten van Oost-Europese afkomst was, en dus alleen de Askenazische uitspraak kende! (Zie verder artikel over Ievriet op pag. ..).

Een van de argumenten van Eliezer ben Yehuda was, dat de Sefardische uitspraak kennelijk de meest wetenschappelijke was, omdat deze op de Westerse universiteiten werd onderwezen. Vandaar dat men in de huidige staat Israel een uitspraak van het Hebreeuws gebruikt die gebaseerd is op de Sefardische. Deze keuze had echter niets met wetenschap te maken, maar is slechts gevolg van het feit dat Reuchlin toevallig een Sefardische leraar had, en geen Askenazische! En hoe b.v. David of Salomo het Hebreeuws hebben uitgesproken, is niet bekend...

Intussen (taal is levend!) wijkt de huidige Israelische uitspraak op een aantal punten af van de Sefardische. In het taalonderwijs is men het er niet over eens, welke het best gebruikt kan worden. Sommige universiteiten (b.v. Leiden) kiezen voor de Sefardische, andere (b.v. Amsterdam: UVA) kiezen voor de Israelische uitspraak. Voor beide standpunten zijn goede argumenten aan te voeren.

(Bron: P. Siebesma, Handleiding bij de studie van het Bijbels Hebreeuws, Barneveld 2003)

Het oudste volledige Hebreeuwse bijbelhandschrift

In 1007 gaf in Cairo de vooraanstaande koopman-geleerde Ozdad ha-Kohen aan de sofeer (schrijver) Samuel ben Jakob de opdracht voor hem een afschrift te maken van de Tenach (Hebreeuwse Bijbel), voorzien van alle masoretische tekens, symbolen en aantekeningen. Het project, want zo kun je de vervaardiging van een dergelijk boekwerk wel noemen, was in het jaar 1009 klaar. Samuel ben Jakob heeft er dus ongeveer twee jaar aan gewerkt.

In die twee jaar beschreef hij 491 vellen dik perkament (30x27 cm) met de volledige tekst van de Hebreeuwse Bijbel, voorzag die tekst in horizontale en verticale marges van vrijwel alle masoretische notities (zo'n 60.000!), plaatste er nog een aantal godsdienstige gedichten tussen en eindigde op de laatste bladzijde met een acrostichon (naamdicht, vergelijk ons Wilhelmus), waarvan de beginletters zijn eigen naam vormen! En alsof dit alles nog niet genoeg was, heeft hij de Bijbel ook nog voorzien van zestien buitengewoon fraai gekalligrafeerde en geillustreerde pagina's.

Tot op de dag van vandaag is de Codex Leningradensis de parel in de kroon van de Firkovich collectie: de grootste verzameling van (nog) niet gepubliceerde Middeleeuws Joodse teksten in de Russische Nationale Bibliotheek te St. Petersburg (voorheen: Leningrad).

Abraham Firkovich (Polen, 1786-1874; een Joodse groot-koopman en leider van de Karaieten [de 'protestanten' onder de Joden]), die in de 19e eeuw heen en weer reisde tussen Cairo en de Krim, had een enorme belangstelling voor antieke Joodse manuscripten, die hij dan ook opkocht waar hij maar kon. Over zijn aankoop van de Codex meldt hijzelf niets. We weten niet van wie hij het boek heeft gekocht en hoeveel hij ervoor heeft betaald. We weten alleen dat hij hem gekocht heeft. Later heeft hij zijn collectie deels geschonken, deels verkocht aan de Nationale Bibliotheek van Rusland.

Feit is dat het plotselinge opduiken van een puntgaaf en compleet handschrift van het Oude Testament (dat bijna zeker gebaseerd is op de masoretische standaardtekst van Ben Asjer!) als een bom insloeg, vooral bij geleerden die zich toen bezig hielden met een tekstkritische bestudering van de Hebreeuwse Bijbel. Op dit manuscript is dan ook de bekende Biblia Hebraica Stuttgartensia (BHS) gebaseerd. De bijbeltekst van de Dode Zeerollen is weliswaar duizend jaar ouder, maar helaas niet compleet en van één hand.

(Bron: Judaica Bulletin, Zwolle)

De Godsnaam in de Hebreeuwse Bijbel

In de Hebreeuwse taal wordt Gods naam zo geschreven: JHWH. Deze vier letters (jod-he-waw-he) heten het Tetragrammaton: de vierletterige Godsnaam. Deze naam van God, Zijn eigen naam, komt ongeveer 7000 maal in de Hebreeuwse Bijbel voor. De Naam is waarschijnlijk een vorm van het oude Hebreeuwse werkwoord hawa (he-waw-he), dat evenals het werkwoord hajah (he-jod-he) 'zijn betekent. In Exodus 3:15 maakt God zelf zijn naam bekend. Wanneer Mozes vraagt: "Wat is uw naam, als het volk er naar vraagt?", antwoordt God: "Ik zal zijn die Ik zal zijn". Naar analogie van de werkwoordsvorm ehje (ik zal zijn) leest men taalkundig de Naam als jahwe (hij zal zijn).

Het feit wil echter dat niemand zeker weet hoe de naam van God oorspronkelijk werd uitgesproken. Hoe komt dat? Wanneer de oude Hebreeuwse taal werd geschreven (en zo gebeurt het nog!), gebruik(t)en de schrijvers alleen medeklinkers - geen klinkers. Zolang het Oudhebreeuws nog de omgangstaal was (zoals nu het modern Hebreeuws) leverde dit geen problemen op. De uitspraak van de Naam was de Israelieten bekend en als zij deze naam geschreven zagen staan, vulden zij moeiteloos de bijbehorende klinkers in (net zoals voor de Nederlandse lezer de afkorting "hfdst" hoofdstuk betekent en "gld" gulden).

Er gebeurden echter twee dingen waardoor deze situatie veranderde. Ten eerste begon onder de Joden het idee post te vatten dat het onjuist was de goddelijke naam hardop uit te spreken. Uit angst om het derde gebod te overtreden ("Gij zult de Naam van de HEERE uw God niet ijdellijk gebruiken" Ex. 20:7), zag men er maar helemaal van af om die naam uit te spreken. Een vorm van hypercorrectie dus. Bovendien werd naarmate de tijd verstreek, de oude Hebreeuwse taal zelf steeds minder gebruikt in de dagelijkse conversatie, en zo raakte de oorspronkelijke Hebreeuwse uitspraak van Gods naam ten slotte in het vergeetboek.
Toen de masoreten met hun vocalisatiewerk begonnen, stonden zij dan ook voor een probleem. Hoe moesten zij de naam van God vocaliseren? Zij mochten hem niet (laten) uitspreken, en het is nog maar de vraag of ze zelf nog wisten hoe de Naam uitgesproken moest worden... Ze kozen voor de volgende oplossing: de klinkers van het woord adonay werden geplaatst onder de medeklinkers JHWH, ten einde de lezer er aan te herinneren dat hij adonay ('soevereine heer') moest zeggen.

Hoe kan nu de Godsnaam het beste vertaald worden? De Septuagint geeft het Tetragrammaton weer met 'kurios, het Griekse woord voor '' heer'. Zo doen ook de SV, de NBG en de NBV. Joodse vertalingen vervangen het Tetragrammaton vaak door een omschrijving, bijv. 'de Naam' of 'de Eeuwige'. Er zijn veel opvattingen over de uitspraak en betekenis van de Godsnaam JHWH. De klassieke vertaling luidt: HEERE.

De grondbetekenis

Het Hebreeuws behoort tot de Semitische talen. Het belangrijkste kenmerk van de Semitische talen is dat bijna ieder woord een stam heeft, die uit drie medeklinkers bestaat. Deze stam (ook wel wortel of radix geheten) is de drager van een grondbetekenis. Zo betekent de Hebreeuwse stam sin-lamed-mem 'volkomen, voltooid zijn'. Door middel van hulpmedeklinkers en klinkers kunnen we van een stam een reeks woorden afleiden, waarvan de betekenis samenhangt met die van de stam. Zo kunnen we van SLM de volgende woorden vormen:

SeLeM vredeoffer
SaLeM bevriend
SiLLeM vergelding
SiLLuM betaling
SiLLuMa bestraffing
SaLMunim omkoping
SaLoM welstand
jruSaLeM Jeruzalem
SaLoMo Frederik (= 'vrederijk)

 
Bron: J. Lettinga, Grammatica van het Bijbels Hebreeuws, Leiden 1996)

En met de hoop op dat laatste woord 'vrederijk', sluit ik graag deze studie af. Ik hoop dat u na het lezen van dit artikel de smaak van het Hebreeuws te pakken heeft!

Verantwoording: Bij de bronvermelding is steeds de belangrijkst geraadpleegde bron vermeld. Om de leesbaarheid te bevorderen is er niet met citaten en voetnoten gewerkt.

 

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

Heb je vertrouwen in het nieuwe kabinet?

Volg ons via twitter @egkaleo

Agenda

  • 22 10 2017
    samenkomst met Frans Voskamp 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Kolossenzen 3:1-4
Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter hand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God. Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, Die ons leven is, dan zult ook gij met Hem geopenbaard worden in heerlijkheid.