Alleen een wegwerpcultuur zegt dat mensen een eenmalig bestaan hebben

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
uit: AMEN 83, pagina 26 Sebastiaan de Graaf

De belofte aan Sara

Hoe vaak maken wij niet plannen? Hoe vaak bepalen wij niet hoe de toekomst moet zijn? En hoe vaak lopen de zaken niet anders dan wij bedacht hadden? Wij kunnen van alles plannen, maar als tijd en toeval ons treft, komt hier soms niets van terecht. Ziekte, sterfgevallen, verbroken relaties en ander leed hebben al heel wat plannen in de soep laten lopen en levens overhoop gegooid.

Inleiding

In de brief van Jakobus aan zijn volksgenoten stelt de apostel het volgende: "Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; gij, die niet eens weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt"
In de geschiedenis van Genesis 17 zien wij ook dat bepaalde zaken bij Abraham anders lopen dan hij zelf had bedacht. Zo had Abraham eigenlijk al bepaald dat zijn zoon Ismael zijn erfgenaam zou zijn. Daar zou niets meer tussen komen. Zeker niet gezien het feit dat Sarai en hij al op zeer hoge leeftijd waren. Toch beslist God anders.

In Genesis 17 zien wij hoe God aan Abraham een zoon belooft. Dit had Hij al eerder gedaan (zeer nadrukkelijk in Genesis 15:4) en later nogmaals (Genesis 18). Toch moest Abraham telkens wachten, tot moedeloosheid aan toe. Uiteindelijk zien wij dat God het beloofde schenkt (Genesis 21). Juist op het moment dat niemand het meer zou verwachten. Waar wij als mensen vaak enorme plannen maken en ons zelf en elkaar van alles beloven, komt er vaak niets van terecht als het niet direct gebeurt. Bij God ligt dit anders. Hij doet Zijn beloften zorgvuldig en het kost vaak veel, heel veel tijd voordat zij in vervulling gaan. Maar… Hij komt Zijn beloften na.

Wij kunnen ons weleens afvragen of God Zijn beloften, zoveel eeuwen geleden gedaan, wel echt na komt. Waar blijft bijvoorbeeld de verlossing van Israel? Hoe zit het met onze eigen verlossing? Wanneer komt Christus in heerlijkheid weer? In Jesaja 40 spreekt God bij monde van één van zijn profeten bemoedigend tot het volk Israel: "Troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is" (Jesaja 40:1). Tegelijkertijd wordt in dit gedeelte ook het volgende gezegd: "Voorwaar, het volk is gras. Het gras verdort, de bloem valt af, maar het woord van onze God houdt eeuwig stand" (Jesaja 40:7-8). Deze laatste woorden hebben tot op de dag van vandaag hun vervulling. Israel is Lo-Ammi, het bestaat niet voor God. Maar zoals deze woorden nu waarheid zijn, zo zijn ook de woorden die er op volgen waarheid, hoe lang dit ook nog mag duren: "Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen"(Jesaja 40:11). God komt tot Zijn doel met Israel ook al is dit menselijkerwijs niet (meer) voor te stellen.

Wat geldt dan voor ons? Wat zijn Gods toekomstplannen met ons? Wij mogen vertrouwen op de woorden die Paulus in Filippenzen 3 spreekt: "(Dit alles) om Hem [van aangezicht tot aangezicht] te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, dat ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, hoe dan ook kom tot de uitopstanding uit de doden." (Filipp. 3:10-11, lett. vertaald). Wij hebben dezelfde hoop als Paulus. Wij hoeven niet meer dan een mensenleven te wachten voordat God de belofte aan ons vervult. Direct na onze dood worden wij in Zijn heerlijkheid opgenomen en nemen wij onze intrek bij Hem!

2. Naamsverandering en belofte voor Sara (Genesis 17:15-16)

Dit gedeelte uit de tweede helft van Genesis 15 is het vervolg op wat zich in de eerste helft van Genesis 15 afspeelt. Daar is te zien dat God een hernieuwd verbond met Abraham sloot. Eveneens werd Abrahams naam veranderd van Abram in Abraham, waarbij de toegevoegde letter Hee, Gods genade symboliseert.
Niet alleen Abrahams naam verandert, ook die van Sarai. Zij zal voortaan geen Sarai, maar Sarah heten. De wijziging is treffend. Sarai betekent namelijk 'vorstelijk'. Als iemand vorstelijk is, dan wil dat nog niet zeggen dat deze persoon daarmee ook gelijk een vorst is. Sarah betekent daarentegen 'vorstin'. Sara wordt van vorstelijk daadwerkelijk een vorstin. De uiterlijke glans verwordt tot geheel haar zijn. Zij zal een moeder van vele vorsten zijn en ook van de Vorst der vorsten, de Messias.

Naast de verandering van haar naam krijgt Sara ook nog een belofte. Waar Abraham zowel een geestelijke als vleselijke belofte kreeg, daar krijgt Sara alleen een vleselijke belofte. De verbondslijn loopt via Abraham. Het was immers ook Abraham die door God geroepen werd en niet Sara. Dit is niet meer dan Gods keuzerecht op uitverkiezing. Tussen twee haakjes: Wat een genade dan trouwens dat God het toebehoren tot het Lichaam van Christus in deze tijd voor ieder mens mogelijk maakt. Of je nu een Bosjesman of Eskimo bent, wie in Christus gelooft, mag in Gods genade delen!

Wat betreft de belofte aan Sara is het zo dat het volgende toegezegd wordt: "En Ik zal haar zegenen, en ook zal Ik u uit haar een zoon schenken, ja, Ik zal haar zegenen, zodat zij tot volken worden zal; koningen van volken zullen uit haar voortkomen" (Genesis 17:16). In ieder geval is het zo dat uit Sara de volken Israel en Edom zijn voortgekomen. Let wel dat het hier volken van vlees en bloed zijn die hun bestaansrecht in de huidige eeuw hebben. Dus tot aan de wederkomst van Christus. Het verschil met de veel verder strekkende belofte, die via de lijn van Abraham loopt, is vanuit Genesis 17:19 duidelijk te zien: "Maar God zeide: Neen, maar uw vrouw Sara zal u een zoon baren, en gij zult hem Isaak noemen, en Ik zal Mijn verbond met hem oprichten tot een eeuwig verbond, voor zijn nageslacht." Het verbond met Isaak is gericht op de komende eeuw na de wederkomst van Christus. De uitwerking van dit verbond is daardoor heerlijker, omdat het vervuld zal worden onder Messiaanse heerschappij. Het verbond van Sara wordt daarentegen vervuld onder menselijke heerschappij in een eeuw waarin satan regeert.

Het is in dit opzicht de moeite waard om Hebreeen 12 er op na te slaan, waar wij iets terug kunnen zien van waar het verbond met Isaak toe zal lijden in de toekomende eeuw: "Maar gij zijt genaderd tot de berg Sion, tot de stad van de levende God, het hemelse Jeruzalem, en tot tienduizendtallen van engelen, en tot een feestelijke en plechtige vergadering van eerstgeborenen, die ingeschreven zijn in de hemelen, en tot God, de Rechter over allen, en tot de geesten der rechtvaardigen, die de voleinding bereikt hebben" (Hebreeen 12:22-23). Het zijn hier de zogenaamde kinderen der belofte, die uit het geloof gerechtvaardigd zijn en die intrek mogen nemen in de heerlijkheid van het hemels Jeruzalem. Wie (in hoofdzaak) tot deze kinderen der belofte horen, kunnen wij in Romeinen 9 lezen: "Want niet allen, die van Israel afstammen, zijn Israel en zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaak zal men van nageslacht van u spreken. Dat wil zeggen: niet de kinderen van het vlees zijn kinderen Gods, maar de kinderen der beloften gelden voor nageslacht" (Romeinen 9:6-8).

Het is vanuit deze gedeeltes trouwens mooi om te zien dat het beerven van het hemels Jeruzalem voor hen is die hun hele aardse leven uit een belofte hebben geleefd zonder deze bij leven ontvangen te hebben. Dat mag voor ons ook een stimulans zij om aan de zegeningen vast te houden die ons in het vooruitzicht zijn gesteld (Efeze 1). In een bepaald opzicht zijn daarom de volgende woorden uit Hebreeen 11 ook treffend voor ons: "In dat geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren op aarde" (Hebreeen 11:13). Ook wij moeten over onze dood heen kijken om de vervulling van de zegeningen uit Efeziers 1 te zien. En ook wij zijn vreemdelingen en bijwoners hier op aarde.

3. Isaak boven Ismael gesteld (17:17-20)

Nadat God Zijn beloften voor Abraham en Sara bekend heeft gemaakt, neemt Abraham het woord. Men zou verwachten dat Abraham God direct dankt en eert en Hem een offer brengt. Het tegendeel is waar. Er komt namelijk een tegenwerping: "Toen wierp Abraham zich op zijn aangezicht, lachte en zeide bij zichzelf: Zal dan aan een honderdjarige een kind geboren worden, en zal Sara, een negentigjarige, baren? En Abraham zeide tot God: Och, mocht Ismael voor Uw aangezicht leven!" (Genesis 17:17-18). Hoe menselijk en ergens ook wel begrijpelijk is de reactie van Abraham. Het is maar goed dat het heil van ons mensen niet afhankelijk is van onze eigen daden en ons eigen geloof! God dient Abraham direct van repliek en stelt dat Sara hem een zoon zal baren. De naam waarmee Abraham deze zoon noemt, zal hem altijd aan het voorval blijven herinneren waar hij lachte om Gods belofte. Isaak betekent namelijk 'hij lacht'. Het lachen van Abraham zal later een vervolg krijgen door het lachen van Sara, om dezelfde reden als Abraham (Genesis 18).

Wat is het antwoord van God op Abrahams' ongeloof? Is dit boosheid? Is dit het wegnemen van Zijn eerder gedane beloften? Integendeel. Het zijn de woorden die wij net al aanhaalden waarin God zegt dat Hij met Isaak een verbond zal sluiten dat betrekking heeft op de komende eeuw. God rekent niet naar daden, maar rechtvaardigt op grond van het geloof dat verankerd is in het verlossingswerk van het Lam dat sinds de grondlegging der wereld geslacht is.

Dan rest tenslotte nog één belofte voor Abraham, namelijk een belofte die betrekking heeft op Ismael. Voor Ismael is er toch een zekere hoop, ondanks dat hij niet de erfgenaam zal zijn. God zal hem zegenen, zo kunnen wij lezen (Genesis 17:20). Ismael zal vruchtbaar zijn en talrijk gemaakt worden door God. Uiteindelijk zullen er twaalf vorsten uit hem voortkomen en hij zal tot een groot volk worden. Deze hoop omvat echter slechts aardse beloften voor de huidige eeuw. Om zegen te ontvangen dat het aardse bestaan overstijgt, zal Ismael afhankelijk zijn van de zegen die via de lijn van Isaak en Israel tot de wereld zal komen. Daarvoor zal Ismael wel zijn ondergeschikte positie ten opzichte van Isaak moeten erkennen. Wij weten dat dit tot op de dag van vandaag nog niet is gebeurd. Integendeel, de nakomelingen van Ismael zien de nakomelingen van Isaak als inferieur en willen hen niets liever dan 'op zijn zachtst gezegd' aan de kant zetten. Deze realiteit zien wij ook in de Bijbel beschreven. In Jesaja 21 zien wij drie van de twaalf vorsten genoemd die uit Ismael voorkomen. Duma (Jesaja 21:11), Tema (Jesaja 21:14) en Kedar (Jes. 21:16) worden alle drie op één lijn met Babel gesteld en staan daarmee lijnrecht tegenover de twaalf stammen van het volk Israel. In dit opzicht kunnen de twaalf koningen van Ismael als een negatief type van de twaalf stammen gezien worden.

4. Besluit (Genesis 17:21-27)

God besluit zijn verschijning aan Abraham met een herhaling van de belofte die Hij eerder deed: "Maar mijn verbond zal Ik oprichten met Isaak, die Sara u op deze zelfde tijd in het volgend jaar baren zal" (Genesis 17:21). De focus ligt niet op de toekomst van Ismael, maar op de toekomst van Isaak, door wie Abraham zal mogen spreken van nageslacht. Zo eindigt God Zijn woorden en vaart Hij vervolgens op, zoals eeuwen later ook Christus als nakomeling van Isaak ten hemel stijgt nadat Hij Zijn eerste werk op aarde heeft gedaan. Christus, in Wie de aan Abraham gedane beloften, worden vervuld.

Abrahams reactie na deze ontmoeting met God is er één van gehoorzaamheid. Hij doet zoals God bevolen heeft en besnijdt Ismael en alle anderen die zijn huis toebehoren (Genesis 17:23). De wet volgt hier op de genade en wordt uiteindelijk ook vanuit de genade van Christus vervuld en wel voor het volk Israel: "De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester" (Galaten 3:24-25).

Hoe zit het dan met ons als gelovigen uit de heidenen ten opzichte van de wet en andere voorschriften? In Efeze 2 kunnen wij lezen dat wij als heidenen uitgesloten zijn van het burgerrecht van Israel en vreemd zijn aan de verbonden der beloften (Efeze 2:12a). Daardoor waren wij, toen Gods heilslijn nog exclusief via Israel liep, zonder hoop en zonder God (Efeze 2:12b). Maar dit betekende ook dat de wet geen zeggenschap over ons had. Toen Christus is gekomen, hebben wij toegang tot God gekregen (Efeze 2:13). Daarbij loopt de heilslijn niet meer via de verbonden van Israel (Efeze 2:14-15), maar rechtstreeks via Christus. In Hem hebben gelovigen uit Israel en uit de heidenen zonder onderscheid en zonder enige voorwaarde toegang tot de Vader: "want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader" (Efeze. 2:18). De wet regeerde nooit over ons en zal dit ook niet gaan doen. In Christus zijn wij vrij van wet en zonde. Wat een genade!

"Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme" (Efeze 2:8).

Deel deze pagina via

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 24 12 2017
    samenkomst met Piet van der Lugt 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 86:5-5
Want Gij, HEERE! zijt goed, en gaarne vergevende, en van grote goedertierenheid allen, die U aanroepen.