Domheid dringt naar voren, om gezien te worden; verstand gaat achteraan staan, om te zien
Carmen Sylva

Gebruikerswaardering: 5 / 5

Ster actiefSter actiefSter actiefSter actiefSter actief
 

Habakuk uit de serie ‘de kleine profeten’ door Stuart Allen

Bestanden:
De kleine profeten door Stuart Allen - uitgewerkte studies POPULAIR
(0 stemmen)
Dit bestand bevat alle uitgewerkte preken van Stuart Allen over 'de kleine profeten'.

Stuart Allen was 25 jaar leidinggevende in "the Chapel of the Opened Book" waar hij een bediening als prediker, leraar en auteur had. Zijn doel was om de Schrift te openen voor hen die geen theologische opleiding hadden. Zowel zijn boeken als zijn preken zijn eenvoudig te volgen, maar met zijn preken boorde hij altijd de diepten van de Schrift aan. Veel mensen getuigen ervan dat zij veel vreugde en zegen hebben ontvangen van zijn geschreven werken en preken voor meer dan 40 jaar lang.
Stuart Allen werd in 1998 bevorderd tot heerlijkheid.
Datum 2015-02-26 Bestandsgrootte 1.51 MB Download 341 Download


Sommige teksten van de kleine profeten worden aangehaald in het Nieuwe Testament. De Heere Jezus haalt de profeet Jona aan, "zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van de grote vis was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn" (Matt. 12:40). Paulus haalt o.a. drie keer Habakuk 2:4 aan: "de rechtvaardige zal uit geloof leven".

Het boek Habakuk kunnen we als volgt indelen:

1:1              Introductie

1:2-4           1e klacht over de zonden

1:5-11         antwoord van God

1:12-2:1      2e klacht

2:2-4           antwoord van God

2:5-20         Gods oordeel

3:1-16         gebed

3:17-19       conclusie

 

De naam Habakuk betekent 'omhelzen'. Er is niet zoveel over hem bekend. Hij was lid van het tempelkoor, zie de allerlaatste zin van het boek, en een tijdgenoot van Jeremia, dus leefde ongeveer 625 voor Christus.

Het boek gaat over het bekende probleem van de zonde.

  • Job heeft het hierover, waarom het kwaad hem treft, terwijl hij door God Zelf vroom en oprecht wordt genoemd. Maar Job weet niet wat zich in de hemelen afspeelt. Jakobus verwijst naar Job om te laten zien dat God de mensen beproeft en wat de volharding van Job uitwerkt.
  • Asaf snapte niet waarom de goddelozen voorspoed hebben en geen problemen, terwijl kinderen van God wel problemen hebben. Totdat hij het bekijkt vanuit Gods positie.
  • En ook Habakuk zit met de vraag 'Hoe kan God geweld gebruiken?', hoe kan een heilige God slechte instrumenten (vijandige volken) gebruiken? De Chaldeeën komen en doen verschrikkelijke dingen en dat is ook nog volgens Gods plan, maar God is niet de schepper van het kwaad.

God gebruikt soms de volken om Zijn volk te straffen. Babel is het gouden hoofd, maar als Nebukadnessar zichzelf verheft, wordt hij door God vernederd.

Habakuk heeft een last en hij vraagt: "Hoelang nog?" (2:6).

Jesaja had diezelfde vraag:

Jes. 6:1-11

In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn gewaad vulden de tempel. Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte ieder zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij. De een riep tot de ander: Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten; heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!

De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook. Toen zei ik: Wee mij, want ik verga! Ik ben immers een man met onreine lippen en woon te midden van een volk met onreine lippen. Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien. Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, die hij met een tang van het altaar had genomen. Daarmee raakte hij mijn mond aan en zei: Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt. Zo is uw misdaad van u geweken en uw zonde verzoend.

Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.

Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk: Luister voortdurend, maar u zult het niet begrijpen. Zie voortdurend, maar u zult het niet opmerken. Maak het hart van dit volk vet, en stop hun oren toe, en sluit hun ogen; anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen, en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.

Toen zei ik: Hoelang, Heere?

Hij zei: Totdat de steden verwoest zijn, zodat er geen inwoner meer is, en de huizen, zodat er geen mens meer in is, en het land verworden is tot een woestenij.

 

Uzzia was koning en wilde zelf een reukoffer brengen, maar dat mag alleen de priester, hij werd daarom melaats, als straf van God. Alleen Christus zal zowel koning als priester zijn. Jesaja weet dat hij onreine lippen heeft, maar hij hoort Gods stem. God is almachtig en toch vraagt Hij: "Wie zal voor ons gaan?". Jesaja weet niet wat de opdracht zal zijn, maar toch zegt hij: "Zend mij".  Wij zouden dat ook altijd moeten zeggen.

Maar Jesaja krijgt gelijk te horen dat ze niet zullen begrijpen of opmerken. En dan vraagt hij: Hoelang?

Wij weten het antwoord uit Romeinen 9-11, totdat de volheid van de heidenen is binnengegaan (Rom. 11:25).

Hab. 1:1-6

De last die de profeet Habakuk gezien heeft. Strafgericht door de Chaldeeën over Juda

HEERE, hoelang roep ik om hulp en luistert U niet, roep ik tot U: Geweld! en verlost U niet?

Waarom doet U mij onrecht zien en aanschouwt U de moeite? Ja, verwoesting en geweld zijn tegenover mij, er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich.

Daarom verliest de wet zijn kracht en komt het recht nooit meer tevoorschijn; want de goddeloze omsingelt de rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid tevoorschijn.

Zie rond onder de heidenvolken en aanschouw, verbijster u, sta verbijsterd, want Ik breng in uw dagen een werk tot stand dat u niet zult geloven wanneer het verteld wordt.

Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan, dat grimmige en onstuimige volk, dat de breedten van de aarde doorkruist om woningen in bezit te nemen die niet van hem zijn.

 

Habakuk vraagt: "Waarom doet U niets?". God hoeft niet op al onze waaroms een antwoord te geven, want dat zou er geen ruimte meer zijn voor geloof en vertrouwen, en geloof en vertrouwen moeten juist groeien.

God antwoordt dat er een verschrikkelijk volk zal komen.

 

Hab. 1:7-11

Schrikwekkend en ontzagwekkend is het. Zijn recht en zijn hoogheid gaan van hem uit.

Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden, feller dan avondwolven. Zijn ruiters komen eraan in galop, zijn ruiters komen van ver aangevlogen als een arend die toeschiet om te verslinden.

Ieder van hen komt om geweld te bedrijven, hun gezichten oostwaarts gericht, en men verzamelt gevangenen als zand.

Ja, zelf drijft hij de spot met de koningen, vorsten zijn hem een bespotting. Zelf lacht hij om elke vesting, hij hoopt er aarde tegenop en neemt hem in.

Dan zal hij als de wind veranderen en verder trekken. Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god maakt.

 

Nebukadnessar kwam en neemt Jeruzalem in en de schatten uit de tempel mee. God laat het toe.

Is dit een antwoord op het waarom van Habakuk?

Dus er volgt een tweede klacht:

 

Hab. 1:12-2:1

Bent U niet van oudsher de HEERE, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven. HEERE, U hebt hem gesteld tot een oordeel. Rots, U hebt hem gegrondvest om te straffen. U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien, moeite kunt U niet aanschouwen. Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen, zwijgt U, wanneer een goddeloze hem verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?

U maakt de mensen als vissen in de zee, als kruipende dieren, die geen heerser hebben. Hij haalt ze alle met een vishaak op, brengt ze bijeen met zijn sleepnet, en verzamelt ze met zijn werpnet. Daarom verblijdt en verheugt hij zich. Daarom offert hij aan zijn sleepnet, brengt hij een reukoffer aan zijn werpnet, want daardoor is zijn vangst groot en zijn voedsel overvloedig. Mag hij daarom zijn sleepnet blijven leegmaken, volken zonder medelijden blijven doden?

Ik ging op mijn wachtpost staan, nam mijn plaats in op de vestingwal, en keek uit om te zien wat Hij in mij spreken zou en wat ik antwoorden zou op mijn aanklacht.

 

In de verzen 14-17 staat het kwaad beschreven. En in 2:1 vraagt Habakuk zich al af wat hij op het antwoord van God zal zeggen. Het antwoord van de Heer volgt:

Hab. 2:2-4

Toen antwoordde de HEERE mij: Schrijf het visioen op, grif het duidelijk in tafelen, zodat het in het snel voorbijlopen te lezen is.

Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd, aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken. Hij liegt niet. Als Hij uitblijft, verwacht Hem, want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven.

Zie, zijn ziel is hoogmoedig, niet oprecht in hem, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

 

God heeft alles onder controle, alles gaat op Gods tijd. Verwacht Hem, want Hij zal zeker komen. Vers 4a gaat over de vijand, die hoogmoedig is en niet oprecht, maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

De aanhalingen in het Nieuwe Testament zijn veelal uit de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Hebreeuwse Oude Testament. Er staat in de ene vertaling de rechtvaardige zal door Mijn geloof leven, in de andere Mijn rechtvaardige zal leven door Mijn rechtvaardigheid, en er staat dus de rechtvaardige zal door zijn geloof leven. Wat precies het origineel is, is niet bekend, maar het is allemaal waar. Het gaat om Gods rechtvaardigheid en om het geloof van de rechtvaardige daarin. Dat geldt voor alle tijden.

 

In het Nieuwe Testament zien we hoe Paulus het gebruikt:

Rom. 1:16-17

Want ik schaam mij niet voor het Evangelie van Christus, want het is een kracht van God tot zaligheid voor ieder die gelooft, eerst voor de Jood, en ook voor de Griek.

Want de gerechtigheid van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

 

Het evangelie (de Heere Jezus Christus) is nog steeds in de eerste plaats voor de Jood, want ten tijde van het schrijven van de brief aan de Romeinen, was Israël nog niet terzijde gesteld. Maar hier legt Paulus uit dat het gaat om de gerechtigheid van God.

Gal. 3:2-4

Dit alleen wil ik van u vernemen: Hebt u de Geest ontvangen uit de werken van de wet, of uit de prediking van het geloof?

Bent u zo dwaas? U die met de Geest begonnen bent, gaat u nu eindigen met het vlees?

Hebt u tevergeefs zoveel geleden? Als het toch eens tevergeefs was!

 

Paulus wijst de Galaten erop dat het niet gaat om werken en wet, maar om geloof en genade.

Gal. 3:10-11

Want allen die uit de werken van de wet zijn, zijn onder de vloek. Er staat immers geschreven: Vervloekt is ieder die niet blijft bij alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen. 11 En dat door de wet niemand gerechtvaardigd wordt voor God, is duidelijk, want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

 

En dat er dus alleen rechtvaardiging is door geloof.

Hebr 10:33-38

33 Nu eens werd u zelf door smaad en verdrukkingen tot een schouwspel gemaakt, dan weer deelde u het lot van hen die zo behandeld werden. 34 Want u hebt ook medelijden gehad met mij, in mijn boeien, en de beroving van uw eigendommen met blijdschap aanvaard, in de wetenschap dat u voor uzelf een beter en blijvend bezit in de hemelen hebt. 35 Werp dan uw vrijmoedigheid niet weg, die een grote beloning met zich meebrengt. 36 Want u hebt volharding nodig, opdat u, na het volbrengen van de wil van God, de vervulling van de belofte zult verkrijgen. 37 Want: Nog een heel korte tijd en Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven. 38 Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven, en als iemand zich onttrekt, Mijn ziel heeft in hem geen behagen.

 

Paulus vergelijkt het leven met een wedstrijd en er is een beloning voor degene die volhardt, maar je hebt geduld nodig. Als je Gods wil doet, krijgt je deel aan de belofte. De rechtvaardige zal uit het geloof leven, maar iemand die zich onttrekt, is dus geen rechtvaardige.

God is een verterend vuur (Hebr. 12:29).

 

Habakuk 2 begint dus eigenlijk met de geruststellende woorden van de Heer "Hij zal zeker komen", dus vertrouw op Mij, geloof in Mijn rechtvaardigheid.

Dan volgen 5 weeën van Habakuk in vers 6, 9, 12, 15 en 19 die gaan over hebzucht, winstbejag, onrecht, schande en afgoderij. Maar de Heer is in Zijn heilige tempel. Wees stil voor Zijn aangezicht (Hab. 2:20). Jesaja spreekt ook 6 weeën uit en de Heere Jezus 8 in Mattheüs 24.

Het derde hoofdstuk van Habakuk is een psalm. Dit kunnen we zien aan het opschrift en het onderschrift. Het opschrift heeft Op Sjigjonot, net als Psalm 7 en betekent waarschijnlijk dat het enthousiast gezongen moet worden. Hier zien we dat voor de koorleider aan het einde staat, als we dit in de Psalmen bekijken, dan wordt het vaak aan het begin gezet. Bij Psalm 56 zien we dan dat er staat op 'Duif op verre eiken', maar in de psalm zelf wordt er niets over een duif gezegd, in de voorafgaande psalm juist wel in vers 7. Dus zouden we de zin voor de koorleider als een onderschrift van de psalm erboven moeten zien en niet als een opschrift.

In hoofdstuk 3 beschrijft Habakuk Gods grootheid. En al zou er overal gebrek aan zijn, nochtans zal hij juichen. Dat had hij geleerd als antwoord op zijn vragen.

Hab 3:17-19

17 Al zal de vijgenboom niet in bloei staan

en er geen vrucht aan de wijnstok zijn,

al zal de opbrengst van de olijfboom tegenvallen

en zullen de velden geen voedsel voortbrengen,

al zal het kleinvee uit de kooi verdwenen zijn

en er geen rund in de stallen over zijn –

18 ik zal dan toch in de HEERE van vreugde opspringen, mij verheugen in de God van mijn heil.

19 De HEERE Heere is mijn kracht, Hij maakt mijn voeten als die van de hinden, en Hij doet mij treden op mijn hoogten.

Voor de koorleider, bij mijn snarenspel.


Deel deze pagina via

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 17 12 2017
    samenkomst met Frans Voskamp 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 103:2-2
Loof den HEERE, mijn ziel, en vergeet geen van Zijn weldaden;