Ware woorden klinken niet mooi

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 

Obadja uit de serie 'De kleine profeten' van Stuart Allen.

Bestanden:
De kleine profeten door Stuart Allen - uitgewerkte studies POPULAIR
(0 stemmen)
Dit bestand bevat alle uitgewerkte preken van Stuart Allen over 'de kleine profeten'.

Stuart Allen was 25 jaar leidinggevende in "the Chapel of the Opened Book" waar hij een bediening als prediker, leraar en auteur had. Zijn doel was om de Schrift te openen voor hen die geen theologische opleiding hadden. Zowel zijn boeken als zijn preken zijn eenvoudig te volgen, maar met zijn preken boorde hij altijd de diepten van de Schrift aan. Veel mensen getuigen ervan dat zij veel vreugde en zegen hebben ontvangen van zijn geschreven werken en preken voor meer dan 40 jaar lang.
Stuart Allen werd in 1998 bevorderd tot heerlijkheid.
Datum 2015-02-26 Bestandsgrootte 1.51 MB Download 340 Download


Obadja is het kleinste Bijbelboek in het Oude Testament en het duurt maar een paar minuten om het te lezen, maar het is een deel van Gods waarheid en het gaat niet om de hoeveelheid. Het is allemaal geïnspireerd door Gods Geest.

Deze profetie is ongedateerd, er wordt alleen gesproken over de verwoesting van Jeruzalem, dat zou dan door Nebukadnessar gebeurd zijn.

Obadja betekent dienstknecht van de HERE en er komen verschillende Obadja’s in de Bijbel voor.

Het Bijbelboek gaat alleen over één volk en de relatie van dat volk tot Israël.

Obadja 1:1 Het gezicht van Obadja. Alzo zegt de Heere HEERE van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen: Staat op, en laat ons opstaan tegen hen ten strijde.

Het gaat over Edom. Wat weten we van Edom? Eerst moeten we weten wie ze zijn en welke plaats ze innemen in Gods plan, voordat we kunnen begrijpen wat er staat.

We moeten een heel eind terug in de geschiedenis. De grenzen staan op elke kaart, ten zuiden van Israël tussen de Dode Zee en Akaba. Edom komt van Ezau en er is dus een relatie met Israël. Er wordt dus gezegd: “Israël is je broer en je gedraagt je zo?”

In vers 1, 4, 8 en 18 staat “Zo zegt de Here”, het is Gods boodschap voor Edom.

Genesis 25:20 En Izak was veertig jaren oud, als hij Rebekka, de dochter van Bethuel, den Syriër, uit Paddan-aram, de zuster van Laban, den Syriër, zich ter vrouw nam. 21 En Izak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijn huisvrouw; want zij was onvruchtbaar; en de HEERE liet zich van hem verbidden, zodat Rebekka, zijn huisvrouw, zwanger werd. 22 En de kinderen stieten zich samen in haar lichaam. Toen zeide zij: Is het zo? waarom ben ik dus? en zij ging om den HEERE te vragen. 23 En de HEERE zeide tot haar: Twee volken zijn in uw buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand van een scheiden; en het ene volk zal sterker zijn dan het andere volk; en de meerdere zal den mindere dienen.

Hier kreeg Rebekka al te horen dat de twee broers met elkaar zullen strijden.

Numeri 20:14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den koning van Edom, welke zeiden: Alzo zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite, die ons ontmoet is; 15 Dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben; en dat de Egyptenaars aan ons en onze vaderen kwaad gedaan hebben. 16 Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale. 17 Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker, noch door de wijngaarden, noch zullen het water der putten drinken; wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechterhand noch ter linkerhand, totdat wij door uw landpalen zullen getrokken zijn. 18 Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misschien met het zwaard uitga u tegemoet!

Israël vroeg alleen maar om door het land te lopen, ze zouden niets eten of drinken maar over de rechte weg gaan.

19 Toen zeiden de kinderen Israëls tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken. 20 Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken! En Edom is hem tegemoet uitgetrokken, met een zwaar volk, en met een sterke hand. 21 Alzo weigerde Edom Israël toe te laten door zijn landpale te trekken; daarom week Israël van hem af.

Ze willen zelfs betalen als ze water drinken, maar ze mogen er niet door. Je ziet hier de vijandigheid.

2 Kron. 28:16 Ter zelfder tijd zond de koning Achaz tot de koningen van Assyrie, dat zij hem helpen zouden. 17 Daarenboven waren ook de Edomieten gekomen, en hadden Juda geslagen en gevangenen gevankelijk weggevoerd.

Jaren later is er nog steeds bij elke mogelijkheid een aanval van Edom.

Genesis 12:2 En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken; en wees een zegen! 3 En Ik zal zegenen, die u zegenen, en vervloeken, die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Hier is een volk dat constant vijandig is ten opzichte van Israël, dus gestraft wordt. Er blijft niemand van over. Petra is hun hoofdstad in de roze rode rotsen (Edom betekent rood). Het leek onoverwinnelijk, makkelijk te beschermen door de nauwe doortocht. Het was een erg trots en onafhankelijk volk.

Obadja 1:3 De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?

Als we denken dat we onafhankelijk van God zijn, zijn we in gevaar. Als er één zonde is, die God haat, is het trots, hoogmoed. Spreuken staat er vol van, God geeft genade aan de nederigen.

Edom luisterde niet naar God.

In het gezicht van Obadja zien we de houding van het volk Edom t.o.v. God. Ze zijn hoogmoedig (een houding die we nog steeds bij mensen zien). Maar zoals blijkt uit

Amos 9:2 Al groeven zij tot in de hel, zo zal Mijn hand ze van daar halen, en al klommen zij in den hemel, zo zal Ik ze van daar doen nederdalen.

Niets ligt buiten de macht van God. Hij kan altijd ingrijpen.

Ezechiël 25:12 Alzo zegt de Heere HEERE: Omdat Edom met enkel wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda; en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dat zij zich aan hen gewroken hebben: 13 Daarom, alzo zegt de Heere HEERE: Ik zal ook Mijn hand uitstrekken tegen Edom, en Ik zal mens en beest uit haar uitroeien; en zal haar tot een woestheid stellen van Theman af; en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen. 14 En Ik zal Mijn wraak doen aan Edom, door de hand van Mijn volk Israël; en zij zullen tegen Edom naar Mijn toorn en naar Mijn grimmigheid handelen; alzo zullen zij Mijn wraak gewaar worden, spreekt de Heere HEERE.

God zal Edom uitroeien.

Jeremia 49:7 Tegen Edom zegt de HEERE der heirscharen alzo: Is er dan geen wijsheid meer te Theman? Is de raad vergaan van de verstandigen? Is hunlieder wijsheid onnut geworden? 8 Vliedt, wendt u, woont in diepe plaatsen, gij inwoners van Dedan! want Ik heb Ezau's verderf over hem gebracht, den tijd, dat Ik hem bezocht heb. 9 Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten? Zo er dieven bij nacht gekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zoveel hun genoeg ware? 10 Maar Ik heb Ezau ontbloot, Ik heb zijn verborgene plaatsen ontdekt, dat hij zich niet zal kunnen versteken; zijn zaad is verstoord, ook zijn broeders, en zijn naburen, en hij is er niet meer. 11 Laat uw wezen achter, en Ik zal hen in het leven behouden, en laat uw weduwen op Mij vertrouwen. 12 Want zo zegt de HEERE: Ziet, degenen, welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganselijk drinken; en zoudt gij enigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganselijk drinken. 13 Want Ik heb bij Mijzelven gezworen, spreekt de HEERE, dat Bozra worden zal tot een ontzetting, tot een smaadheid, tot een woestheid, en tot een vloek; en al haar steden zullen worden tot eeuwige woestheden. 14 Ik heb een gerucht gehoord van den HEERE, en er is een gezant geschikt onder de heidenen, om te zeggen: Vergadert u, en komt aan tegen haar, en maakt u op ten strijde. 15 Want zie, Ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de mensen. 16 Uw schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotsheid uws harten, gij, die woont in de kloven der steenrotsen, die u houdt op de hoogte der heuvelen! Al zoudt gij uw nest zo hoog maken als de arend, zo zal Ik u van daar nederstoten, spreekt de HEERE. 17 Alzo zal Edom worden tot een ontzetting; al wie voorbij haar gaat, zal zich ontzetten, en fluiten over al haar plagen. 18 Gelijk de omkering van Sodom en Gomorra en haar naburen, zal het zijn, zegt de HEERE; niemand zal daar wonen, en geen mensenkind daarin verkeren. 19 Ziet, gelijk een leeuw van de verheffing der Jordaan, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want Ik zal hem in een ogenblik daaruit doen lopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal Ik tegen haar bestellen; want wie is Mij gelijk, en wie zou Mij dagvaarden, en wie is die herder, die voor Mijn aangezicht bestaan zou? 20 Daarom hoort des HEEREN raadslag, dien Hij over Edom heeft beraadslaagd, en Zijn gedachten, die Hij gedacht heeft over de inwoners van Theman: Zo de geringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Indien hij hunlieder woning niet boven hen zal verwoesten! 21 De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, van het gekrijt, welks geluid gehoord is bij de Schelfzee. 22 Ziet, hij zal opkomen en snel vliegen, als een arend, en zijn vleugelen over Bozra uitbreiden; en het hart van Edoms helden zal te dien dage wezen, als het hart ener vrouw, die in nood is.

In dit Bijbelgedeelte wordt dit ook bevestigd, er zijn veel overeenkomsten met Obadja. Sommigen zeggen dat de profeten deze dingen van elkaar kopieerden, maar soms moet de waarheid een paar keer herhaald worden om te benadrukken.

Obadja 1:5 Zo er dieven, zo er nachtrovers tot u gekomen waren (hoe zijt gij uitgeroeid!), zouden zij niet gestolen hebben zoveel hun genoeg ware? Zo er wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet een nalezing hebben overgelaten ? 6 Hoe zijn Ezau's goederen nagespeurd, zijn verborgen schatten opgezocht! 7 Al uw bondgenoten hebben u tot aan de landpale uitgeleid; uw vredegenoten hebben u bedrogen, zij hebben u overmocht; die uw brood eten, zullen een gezwel onder u zetten, er is geen verstand in hem.

Hoe wordt Edom verdelgd? Het gebeurt van binnenuit door hun vredegenoten en die hun brood aten, er blijft niets van over.

Obadja 1:8 Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de HEERE, dat Ik de wijzen uit Edom, en het verstand uit Ezau's gebergte zal doen vergaan ?

Het volk van Edom stond bekend om hun wijsheid.

Obadja 1:9 Ook zullen uw helden, o Theman! versaagd zijn; opdat een ieder uit Ezau's gebergte door den moord worde uitgeroeid. 10 Om het geweld, begaan aan uw broeder Jakob, zal schaamte u bedekken; en gij zult uitgeroeid worden in eeuwigheid.

Ze zullen voor altijd uitgeroeid worden, omdat ze geweld begaan hebben aan hun broeder Jakob.

Obadja 1:11 Ten dage als gij tegenover stondt, ten dage als de uitlanders zijn heir gevangen voerden, en de vreemden tot zijn poorten introkken, en over Jeruzalem het lot wierpen, waart gij ook als een van hen. 12 Toen zoudt gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding; noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda, ten dage huns ondergangs; noch uw mond groot gemaakt hebben, ten dage der benauwdheid; 13 Noch ter poorte Mijns volks ingegaan zijn, ten dage huns verderfs; noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad, ten dage zijns verderfs; noch uw handen uitgestrekt hebben aan zijn heir, ten dage zijns verderfs;

Ze hadden hun broeder moeten helpen, maar in plaats daarvan stonden ze in de weg en waren als de vijanden.

15 Want de dag des HEEREN is nabij, over al de heidenen; gelijk als gij gedaan hebt, zal u gedaan worden; uw vergelding zal op uw hoofd wederkeren.

Net als veel profeten komt ook hier de dag des Heeren voor, dan zullen de volken hun loon ontvangen, het kan soms lang duren, maar uiteindelijk komt toch het oordeel.

16 Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg Mijner heiligheid, zo zullen al de heidenen geduriglijk drinken; ja, zij zullen drinken en inzwelgen, en zullen zijn als of zij er niet geweest waren.

Ze zullen geheel uitgeroeid worden, alsof zij nooit bestaan hadden. Als iets verbrandt, blijft er niets van over.

17 Maar op den berg Sions zal ontkoming zijn, en hij zal een heiligheid zijn; en die van het huis Jakobs zullen hun erfgoederen erfelijk bezitten.

Let op het contrast, bij God is er altijd ontkoming. Jacob zal uiteindelijk zijn erfdeel ontvangen.

18 En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis een vlam, en Ezau's huis tot een stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden, en zullen ze verteren, zodat Ezau's huis geen overgeblevene zal hebben; want de HEERE heeft het gesproken. 19 En die van het zuiden zullen Ezau's gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten; ja, zij zullen het veld van Efraim en het veld van Samaria erfelijk bezitten; en Benjamin Gilead. 20 En de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israëls, hetgeen der Kanaanieten was, tot Zarfath toe; en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem, hetgeen in Sefarad is, zij zullen de steden van het zuiden erfelijk bezitten. 21 En er zullen heilanden op den berg Sions opkomen, om Ezau's gebergte te richten; en het koninkrijk zal des HEEREN zijn.

Jeruzalem zal het centrum van de aarde zijn. De Joden zullen heersen. Het koningschap zal van de Here zijn. Hij zal regeren met Zijn volk, want alles zal gaan volgens de raad van Zijn wil.


Deel deze pagina via

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 17 12 2017
    samenkomst met Frans Voskamp 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Romeinen 14:13-13
Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.