Wie op zijn tenen staat, staat niet stevig

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Alles is ijdelheid! – Deel 11 – Een wijze raad II (Pred. 8:1-9) uit: AMEN 98, pagina 20 Sebastiaan de Graaf
Op het moment dat ik dit artikel schrijf, is veel beroering in de wereld onder andere op de financiële markten. Stijgende schulden in de Verenigde Staten en dalende aandelenkoersen zorgen voor onrust bij veel mensen in de wereld. In toenemende mate investeren mensen hun geld niet meer in aandelen of in een bankrekening, maar maken zij het fysiek en tastbaar door er goud voor te kopen.

Daarbij zijn er velen die vrezen dat hun opgebouwde pensioen zal verdampen als sneeuw voor de zon. De vele deskundigen en visionairs hebben hun visie over wat er moet gebeuren en hoe het alles wel en niet zal aflopen. Ondertussen ontstaan er in de getto's van de grote steden rellen onder zich achtergesteld voelende bevolkingsgroepen. Het kapitalisme en het democratische bestel lijken aan hun eigen 'succes' ten onder te gaan.

Wanneer wij deze ontwikkelingen spiegelen aan de thema's die in het eerste deel van Prediker 8 naar voren komen, dan vinden wij treffende overeenkomsten. Zo wordt er gesproken over het gehoorzamen van de overheid (8:2-5a). Een punt dat juist in deze tijd steeds meer onder druk komt te staan. Vervolgens lezen wij dat er voor de mens geen grip op het leven te vinden is (8:5b-8). Ook dat is iets wat wij steeds meer ondervinden. Hoe men in het Westen ook probeert de samenleving beheersbaar en controleerbaar te maken, het lukt niet.

In dit artikel staan wij stil bij de twee thema's die handelen over het dienen van de overheid en het feit dat er geen grip op het leven is. Dit doen wij echter niet voordat wij stil hebben gestaan bij de retorische vraag over de wijsheid waarmee Prediker 8 begint en die de twee te behandelen thema's als wijsheden introduceert.

Er is wijsheid te vinden (8:1)

"Wie is als de wijze en wie weet de verklaring van de dingen?" (Pred. 8:1a)
In het vorige hoofdstuk kwam Prediker tot de conclusie dat er maar weinig wijzen te vinden zijn. Hij vond slechts één man (Hebr. adam) onder duizend en geen enkele vrouw (Pred. 7:28). Wij zagen dat Prediker hier enerzijds laat zien dat er weinig wijzen zijn te vinden. Anderzijds vinden wij in de dubbele bodem van deze tekst een verwijzing naar de laatste Adam, Jezus Christus, Die voor ons is geworden wijsheid van God en gerechtigheid, heiliging en verlossing (1 Kor. 1:30).

In aansluiting op wat Prediker in het vorige hoofdstuk verkondigde, stelt hij nu een vraag die in zichzelf ontkennend is, maar waar vervolgens verrassend genoeg wel een positief antwoord op gegeven wordt. Met de vraag wie er werkelijk wijs is en wie de uitleg van de dingen (Hebr. dabar) weet, geeft Prediker feitelijk aan dat er niemand is die aan deze criteria voldoet. De wijsheid die vervolgens gepresenteerd wordt, is dan weliswaar wijsheid, maar niet een wijsheid die een mens in aardse zin veel oplevert. Er wordt gesteld dat het maar beter is om te luisteren naar de koning, omdat het anders slecht met je af kan lopen (8:2-5a). Ook wordt geconcludeerd dat de mens maar weinig invloed op de levensloop heeft (8:5b-8) en het de goddeloze soms beter af gaat dan de rechtvaardige (8:9-14). Het beste wat een mens in die omstandigheden kan doen, zo concludeert Prediker, is te genieten van wat er van zijn zwoegen overblijft (8:15-16). De conclusie van dit alles verwijst weer terug naar de retorische vraag waar Prediker mee begon: "…toen zag ik al het werk van God, dat de mens niet kan ontdekken, het werk dat onder de zon plaatsvindt. Hoezeer de mens ook zwoegt bij het zoeken, hij zal het niet ontdekken. Zelfs als de wijze het zegt te weten, zal hij het toch niet kunnen ontdekken" (8:17).

"De wijsheid van de mens verlicht zijn gezicht, zodat de stuursheid van zijn gezicht wordt veranderd" (8:2a).
Ondanks dat de door Prediker gevonden en in hoofdstuk 8 besproken wijsheden slechts beperkt van aard zijn en geen verlossende waarde hebben, zijn zij de mens wel van nut. De wijsheden brengen op zich dan geen verlossing, maar wijzen de mens wel op de verlossing die God wil bieden voor wie Hem aanvaarden en zich aan Hem onderwerpen. De wijsheid die het gezicht van de mens verlicht, kan toch naar niets anders verwijzen dan naar God Die Zijn aangezicht verheft, wat zegen met zich meebrengt? In Psalm 67:2-3 zegt het zo: "God zij ons genadig en zegene ons; Hij doe Zijn aangezicht over ons lichten. Dan zal men op aarde Uw weg kennen, onder alle heidenvolken uw heil."

Wie de beperktheid en de onvoorspelbaarheid van zijn eigen bestaan gaat ontdekken, is op weg om God te leren (er)kennen. Dit brengt niet alleen wijsheid met zich mee, maar ook een verandering in gemoedstoestand. De hardheid van het gezicht, veroorzaakt door de teleurstelling en de bitterheid die het leven met zich meebrengt, wordt verzacht, zoals er letterlijk staat. Hoe dat komt? De mens leert het leven te accepteren zoals het is en, ondanks al het zwoegen en lijden, te genieten van het goede dat op zijn weg komt. Dit alles in de wetenschap dat zijn leven uiteindelijk in Gods hand is (Pred. 9:1).

Gehoorzaam de overheid (8:2-5a)

"Ik zeg: Houd u aan het bevel van de koning, en wel vanwege de eed aan God" (Pred. 8:2).
De eerste raad die wordt gegeven is om de koning te gehoorzamen. Daarbij verwijst Prediker naar de eed aan God gedaan. Wellicht moeten wij hier denken aan het gebeuren zoals dat in 1 Kronieken 29:23-24 beschreven staat: "Toen zat Salomo op de troon van de HEERE als koning in de plaats van zijn vader David, en hij was voorspoedig; en heel Israël luisterde naar hem. Alle bevelhebbers en helden en ook alle zonen van koning David gaven de hand, als teken dat zijn onder koning Salomo trouw zouden zijn." De trouw aan Salomo (Prediker) is hier feitelijk trouw aan de HEERE, op Wiens troon Salomo gezeten is.

"Haast u niet bij hem vandaan te gaan. Houd niet vast aan een kwade zaak, want hij doet alles wat hem behaagt, omdat het woord van de koning zeggenschap heeft. Wie zal tegen hem zeggen: Wat doe u? Wie het gebod in acht neemt, ondervindt geen kwaad" (Pred. 8:3-5a).
In het vervolg van zijn wijze raad betoogt Prediker dat men niet verschrikt bij de koning vandaan hoeft te gaan, wanneer men zich aan hem onderwerpt (zo wordt hier bedoeld). Dit onderwerpen bestaat hieruit dat men er niet goed aan doet om tegen een beslissing van de koning te strijden. De koning doet namelijk toch wat hem goed dunkt. Overigens kon men ten aanzien van Salomo als koning in de beginperiode van zijn regering rustig zijn beslissingen accepteren. Hij was namelijk uitermate rijk begiftigd met wijsheid van God. Zittend op de troon van de HEERE, regeerde hij als was het de HEERE Die regeerde. Natuurlijk is hierin een prachtig beeld van Christus terug te zien, Die straks als Vredevorst zal heersen op de troon van David.

Maar ook wanneer het bevel van de koning niet redelijk is, doet men er wijs aan om dit op te volgen, want anders zou het zomaar slecht met je af kunnen lopen, zoals in Spreuken 16:14 staat: "De woede van een koning is als de boden van de dood, maar een wijze man verzoent die." Wat vormt hier dan de uitzondering op? Natuurlijk dat men God boven alle overheid moet gehoorzamen, zoals later Daniël en zijn vrienden deden en zoals Petrus nog weer vele eeuwen later zegt in Handelingen 5:29 waar staat: "Men moet aan God meer gehoorzaam zijn dan aan mensen."

Het zich onderwerpen aan de koning is ook elders in de Bijbel terug te vinden. Het meest bekende gedeelte is Romeinen 13, dat met de volgende veelzeggende woorden begint: "Ieder mens moet zich onderwerpen aan de gezagsdragers die over hem gesteld zijn…" Maar ook in Titus 3 vinden wij woorden van soortgelijke strekking: "Herinner hen eraan dat zij de overheden en machten onderdanig behoren te zijn…" Het feit dat dit voorschrift meerdere malen voorkomt, geeft aan dat het belangrijk voor de mens is om zich hieraan te houden.

Ondanks dat de Bijbel hier heel duidelijke taal spreekt, hebben wij in sommige omstandigheden toch wel moeite om deze voorschriften op te volgen. Het pijnpunt ligt met name bij wat in het vervolg van Romeinen 13 staat: "…want er is geen gezag dan van God, en de gezagsdragers die er zijn, zijn door God ingesteld…" Als God de overheden de macht heeft gegeven om te regeren, waarom zij er dan overheden die juist dat doen wat tegen Gods wil ingaat? Laten wij voorop stellen dat wij in de Bijbel genoeg geschiedenissen vinden waarin erkend wordt dat dit gebeurt en waarin God ook ingrijpt. De macht die God aan de overheden heeft gegeven, is iets anders dan de wijze waarop zij deze uitoefenen. Wij zien hier hetzelfde principe terug als bij Adam in de Hof van Eden die rentmeesterschap kreeg over de schepping. Dat Adam rentmeesterschap kreeg, wil nog niet zeggen dat hij dit ook goed uitvoerde en dat God verantwoordelijk was voor de val van de schepping. Adam kreeg verantwoordelijkheid en verkwanselde die. De overheden in ons tijdperk krijgen macht en gezag en hebben de vrije keuze hoe zij hiermee omgaan, zowel ten goede als ten kwade. Dat is hun verantwoordelijkheid.

In dit opzicht is het ook goed om te beseffen in wat voor tijdperk (Grieks: aioon) wij leven en wat het kenmerk hiervan is. Onze aioon begint na de zondvloed en kenmerkt zich onder andere doordat de wereldbevolking gegroepeerd is in volken met hun eigen talen en landen (Gen. 10). Het is deze wijze waarop God in deze aioon, die tot aan de wederkomst van Christus duurt, te werk gaat. Wij maken als mens deel uit van deze structuur en hebben ons daar naar te voegen, ook al zijn wij in geestelijke zin geen wereldburgers meer, maar hemelburgers. In het vlees leven wij namelijk hier nog wel in de huidige aioon en binnen deze schepping. En laten wij eerlijk zijn, ten diepste zijn wij toch – ook als gelovigen – vaak nog heel volks. Wie juicht er niet voor het Nederlands voetbalelftal als zij scoren? En anders hebben wij wel een bepaald positief gevoel bij ons koningshuis.
Het onderwerpen aan de overheid is voor ons als gelovigen om nog twee redenen een goede zaak. Ten eerste zijn wij hier als hemelburgers op aarde in een vreemd 'land' te gast. In dat opzicht behoren wij ons dan ook als gasten te gedragen. Ten tweede kunnen wij met gehoorzaam en goed gedrag een mooi getuigenis geven, zo valt uit 1 Petrus 2 te leren. Petrus heeft het daar over het dienen van de overheid: "Want zo is de wil van God, dat u door goed te doen het onverstand van de dwaze mensen de mond snoert…" (1 Pet. 2:15).

Er is geen grip op het leven (8:5b-8)

"Het hart van de wijze kent tijd en gelegenheid. Want voor elk voornemen is er een tijd en gelegenheid" (Pred. 8:5b-6a).
Waar de verdeling in plaats en ruimte in de huidige aioon er in bestaat dat de mensheid onderverdeeld is in volken, daar bestaat de huidige aioon wat betreft chronologie in tijden en seizoenen. De mens is onder hun loop geplaatst en heeft hier rekening mee te houden.

Wij hebben hier niet alleen met vastgestelde tijden te maken, zoals de vier seizoenen en hoogtijdagen, maar ook met dynamische tijden. Soms is er de tijd om een bepaalde onderneming te starten en soms niet. Zo moet men in het geval van de voorgaande verzen uit Prediker 8 de tijd goed weten te bepalen om iets van de koning te vragen. In een periode van tegenslag voor het land zal de koning minder snel bereid zijn om een gunst te verlenen dan in tijden van voorspoed.

Ook wij worden opgeroepen om uit wijsheid tijd en gelegenheid (letterlijk: 'oordeel') te onderscheiden en hiermee om te gaan. Niet alleen op grond van de universele waarheid in Prediker maar ook op grond van wat bijvoorbeeld in Kolossenzen 4:5 staat: "Wandelt met wijsheid bij hen die buiten zijn, en buit de geschikte tijd uit." In welk opzicht wordt dit dan van ons gevraagd? Dat zien wij in het vervolg van dit gedeelte: "Laat uw woord altijd aangenaam zijn, met zout smakelijk gemaakt, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden" (Kol. 4:6).

"Ja, het kwaad van de mens is overvloedig over hem. Want hij weet niet wat er gebeuren zal. Wie zal hem immers bekendmaken wanneer het gebeuren zal?" (Pred. 8:6b-7).
Ondanks dat de mens soms invloed kan uitoefenen op het leven wanneer hij rekening houdt met de verschillende tijden, zijn er toch ook veel gebeurtenissen die hij niet aan ziet komen en waar hij geen invloed op kan uitoefenen. Het kwaad treft de mens overvloedig en uiteindelijk manifesteert zich de grootste onmacht van de mens over het leven in het feit dat hij geen zeggenschap heeft over de dag van de dood. Ieder mensenleven loopt zo, van onder de zon bezien, uiteindelijk slecht af. Voor niemand is er in dat opzicht hoop. Dat is ook wat het vervolg van dit gedeelte leert.

"Er is geen mens die macht heeft over de geest, om de geest in te houden. Hij heeft geen zeggenschap over de dag van de dood, er is geen vrijstelling in deze strijd en de goddeloosheid laat de bedrijvers ervan niet ontkomen" (Pred. 8:8).
Wij sluiten een moeilijk en confronterend gedeelte af, dat ons hier aan het einde leert dat de mens geen macht heeft over de levensadem, zoals hier bedoeld wordt. Geen mens beheerst de dag van zijn sterven en niemand ontkomt ook aan de strijd met de dood. Zelfs de goddelozen, die het vaak tijdens het leven voor de wind gaat, wordt uiteindelijk de levensadem ontnomen in het laatste gevecht dat de mens te voeren heeft. Wat een triest einde.

Natuurlijk mogen wij als gelovigen beter weten door de opstanding van Jezus Christus. Tegenover de Tessalonicenzen en hun roeping verwoordt Paulus dit als volgt: "Maar ik wil niet, broeders, dat u ontwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn, opdat u niet bedroefd bent zoals ook de anderen, die geen hoop hebben. Want als wij geloven dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal ook God op dezelfde wijze hen die in Jezus ontslapen zijn, terugbrengen met Hem" (1 Tess. 4:13-14). Wie niet gelooft, heeft geen hoop. Wie wel gelooft, heeft hoop en hoeft niet bedroefd te zijn. Dat is wat wij door alle aardse ellende en onmacht heen mogen leren.

Hoe zit het dan met onze hoop? Nu, die is zoals Paulus dat ten aanzien van zichzelf verwoordt in Filippenzen 3:10-11: "…opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig word, om hoe dan ook te komen tot de [uit] opstanding van [tussen] de doden [uit]." Laten wij in de verwachting van die hoop leven, daarbij de geschikte tijd uitbuiten door steeds maar weer meer te leren verstaan wat de wil van de Heere is in wijsheid en verstand (Efe. 5:15-17).

Deel deze pagina via

Darwin

Darwin: een aanhanger van Johannes van Helmond?Johannes van Helmond leefde rond begin 1600 en schreef een recept voor het maken van muizen: als je oude lappen en graan in een vat stopt en wegzet op een zolder of in een schuur, dan zullen na verloop van tijd vanzelf muizen ontstaan. Het was een wetenschappelijk experiment en herhaalbaar met telkens hetzelfde resultaat. Ook vandaag de dag kan je hetzelfde experiment herhalen met nog steeds dezelfde resultaten.  Het was Louis Pasteur die drie eeuwen later, aan het einde van de 19e eeuw, aantoonde dat het spontaan ontstaan van muizen (en leven), onzin was... totdat de evolutietheorie de kop op stak, met haar bewering dat in een ver verleden spontaan leven ontstaan is uit een levensloze massa... Ik denk dat Darwin een aanhanger was van Johannes van Helmond ... ;) (overgenomen uit Bijbelvast onderwijs)                       

Even een vraag

Heb je vertrouwen in het nieuwe kabinet?

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 29 10 2017
    samenkomst met Cees Terpstra 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Psalmen 119:25-25
Daleth. Mijn ziel kleeft aan het stof; maak mij levend naar Uw woord.