Een plan zonder programma is een droom

Gebruikerswaardering: 0 / 5

Ster inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactiefSter inactief
 
Alles is ijdelheid! (6) – Belofte maakt schuld (Pred. 4:17-5:6) uit: AMEN 93, pagina 26 Sebastiaan de Graaf
Het boek Prediker spreekt over het leven ´onder de zon´ en leert ons dat de mens slechts tot zijn doel kan komen in afhankelijkheid van God.

Wanneer wij naar ons zelf en christenen om ons heen kijken, dan zijn er al gauw twee negatieve eigenschappen die er uit springen bij ons zelf en hen. Christenen zijn vaak leugenachtig en gierig. Over het eerste punt gaat het in dit artikel. Over het tweede in het vervolg van Prediker. Dit behandelen wij later.
Het is overigens niet verwonderlijk dat beide eigenschappen (leugenachtigheid en gierigheid) onder christenen voor komen. Gierigheid, oftewel hebzucht, lag aan de wortel van de zonde in de Hof van Eden. De hebzucht werd gevolgd door de leugen, die het zondige gedrag van de mens moest verdoezelen en goed praten.

Het is ook niet verwonderlijk dat juist bij christenen deze twee zaken voor komen. Immers, veel van ons leven nog onder de wet of een zekere vorm hiervan. En wij weten dat waar de wet er bij komt, de zonde toeneemt. Het is dus hoog tijd om eens bij beide punten stil te staan. Niet met als doel om ons zelf weer onder een (nieuwe) wet te plaatsen, maar juist om via Prediker in het Nieuwe Testament uit te komen bij de vrijheid die wij als verloste gelovigen hebben in Christus.

Met hart en ziel?

Het in dit artikel te behandelen gedeelte uit Prediker begint veelzeggend: "Let op uw voeten als u naar het huis van God gaat. Het is beter dat men naderbij komt om te luisteren dan om als dwazen een offer te geven, want die weten niet dat zij kwaad doen" (Pred. 4:17, herziene SV).
Wat wil Prediker ons hier leren? Nu, als men naar de tempel ging, dan was het in de ogen van de mensen het meest vrome om een offer te brengen. Je gaf dan iets aan God en je deed dan iets voor God. Je toonde je zo een ware Israëliet. Zo gaat het in deze tijd ook. Als christenen veel goede werken doen of ze nemen een belangrijke positie in kerk, gemeente of stichting in, dan worden zij vaak gezien als geestelijke mensen of krachtige leiders. Maar is dit een goede graadmeter?

In Psalm 51, één van de heftigste boetpsalmen, zegt David het volgende: "Want Gij hebt geen behagen in slachtoffers, dat ik die brengen zou; aan brandoffers hebt Gij geen welgevallen" (Ps. 51:18). Waarom is dit zo? De offerdienst was toch door de HERE Zelf ingesteld? Het antwoord op deze vraag vinden wij in een ander vers van Psalm 51: "Schep mij een rein hart, o God, en vernieuw in mijn binnenste een vaste geest…" (Ps. 51:12). Het gaat bij God niet om de daden die men doet, maar om de gesteldheid van het hart. Dat is dan ook waar David in Psalm 51 voor bidt. En dit is ook precies wat Prediker ons wil leren. Daarbij zou het heel goed kunnen zijn dat Prediker (Salomo) bij het schrijven van deze woorden is geïnspireerd door de boetepsalm van zijn vader David.

Prediker dat de Israëlieten maar niet zo maar naar de tempel moeten gaan om te offeren. Met 'niet zo maar' bedoelt hij dat men het niet gedachtenloos of als gewoonte of als verplichting moest doen of om gelovig over te komen of om zelf een goed gevoel te krijgen. Wanneer dit de gesteldheid bij de Israëlieten was, konden zij beter niet offeren. Dan kon men beter niets doen en luisteren, dan in dwaasheid en onverstand handelen. Wanneer men ging offeren, dan moest men geheel en al op God gericht zijn en alle eigen belang en gewoontedrang laten varen. Het offeren aan God behoorde een moment te zijn waarin alles om de Israëliet heen wegviel en er nog slechts één naam telde, namelijk die van de HERE. Of zoals het in Ps. 84 staat: "Mijn ziel verlangt, ja smacht naar de voorhoven des HEREN; mijn hart en mijn vlees jubelen tot de levende God" (Ps. 84:2). De Israëliet diende dus goed bewust te zijn van waar hij mee bezig was als hij naar de tempel ging.

Hoe zit dit met ons in deze tijd? Hoe eerlijk zijn wij in onze Godsdienst? Zijn wij ons er bewust van hoe wij God dienen en eren? Met welke gezindheid doen wij dit? Vaak is er ook bij ons sprake van gedachteloos, uit gewoonte of uit verplichting christen zijn. En wanneer wij wel nadenken over ons leven als christen, dan zoeken wij vaak eigen eer of belang of anders wel iets dat ons een goed gevoel bezorgt. Wij zijn hier allemaal debet aan, niemand uitgezonderd.
Kunt u, niet alleen met het verstand, maar toch vooral vanuit het hart, aangeven waarom u gelooft, waarom u zondags naar de samenkomst gaat, waarom u leeft uit bepaalde waarden en naar bepaalde normen, etc.? Bent u in deze zaken eerlijk naar God, naar u zelf en uw naaste toe? En hoe staat u dan verder in het leven? Waarom doet u wat u doet? Wat is de zin van uw bestaan? Hoe geeft u hier vorm aan? Wat betekenen uw dierbaren in uw nabije omgeving voor u? Wat is voor u leven in afhankelijkheid van God?

Stel u zelf eens eerlijk deze vragen en misschien nog wel veel meer. Niet om daardoor op uw tekortkomingen uit te komen, maar juist om te groeien in uw relatie met Christus en de Vader. Zo bent u niet alleen christen, maar bent u toch vooral een gelovige.
Er zijn zoveel christenen die onnodig dolen, zoeken, twijfelen en de rode draad missen in hun leven. Omdat zij de antwoorden in hun leven op hele verkeerde plekken en in hele verkeerde gebieden zoeken, raken zij juist nog meer het spoor bijster. Terwijl dit helemaal niet hoeft. Wij hoeven het niet te zoeken in menselijke inspanningen en prestaties, schijnvertoon en verplichtingen. Wij mogen het eenvoudigweg in Christus zoeken.

In 2 Korintiërs 11 spreekt Paulus hier ook over wanneer hij de Korintiërs waarschuwt voor uiterlijk vertoon: "Maar ik vrees dat, zoals de slang met zijn sluwheid Eva verleid heeft, zo misschien ook uw gedachten bedorven worden, weg van de eenvoud die in Christus is" (2 Kor. 11:3, herziene SV).

Belofte maakt schuld

"Wees niet te snel met uw mond, en laat uw hart zich niet haasten een woord te uiten voor het aangezicht van God. Want God is in de hemel en u bent op de aarde. Laat daarom uw woorden weinig in aantal zijn. Want zoals de droom komt door veel bezigheid, zo ook het gepraat van de dwaas door veelheid van woorden. Wanneer u aan God een gelofte doet, stel dan niet uit die na te komen, want Hij heeft geen welgevallen aan dwazen. Kom na wat u belooft. Het is beter dat u niet belooft, dan dat u belooft maar niet nakomt. Sta uw mond niet toe, uw vlees te doen zondigen. Zeg ook niet in de tegenwoordigheid van de engel: dat was een vergissing. Waarom zou God zeer toornig worden om wat u zegt, en het werk van uw handen te gronde richten?" (Pred. 5:1-6, herziene SV).

In de volgende verzen van het gedeelte uit Prediker, grijpt Prediker terug op de wet. In Deuteronomium 23 staat namelijk het volgende: "Wanneer u de HEERE, uw God, een gelofte gedaan hebt, mag u niet aarzelen die na te komen, want de HEERE, uw God, zal dat zeker van u eisen, en dan zou er zonde in u zijn. Maar als u ervan afziet een gelofte te doen, is er geen zonde in u. Wat er over uw lippen komt, moet u houden en doen, net als wanneer u de HEERE, uw God, een vrijwillige gave beloofd hebt, iets wat u met uw eigen mond gesproken hebt" (Deut. 23:12-23, herziene SV).

Dat deze wetgeving uit Deuteronomium niet zomaar een paar woorden waren, maar verstrekkende gevolgen kon hebben, is duidelijk te zien in de geschiedenis van Jefta. In Richteren 11 belooft Jefta dat als God hem de Ammonieten in zijn macht geeft, hij het eerste dat hem bij terugkeer van de strijd uit zijn huis tegemoet komt, aan de HERE zal geven. De HERE geeft Jefta de Ammonieten inderdaad in zijn macht. Wanneer Jefta na de strijd naar huis keert is het eerste dat hem uit zijn huis tegemoet komt zijn dochter. Wat deed Jefta vervolgens? Ging hij zijn belofte ontkennen, verdraaien of zelfs helemaal terug draaien? Nee, dat deed hij niet, hoe begrijpelijk dit wellicht ook was geweest. Jefta bleef eerlijk, oprecht en trouw aan zijn gelofte. Hij zonderde uiteindelijk zijn dochter af voor dienst aan de HEERE. Als gevolg hiervan heeft zij nooit gemeenschap gehad met een man.

Je houden aan je woord wordt in de Bijbel dus heel letterlijk genomen. Alles wat je belooft, moet je doen. Doe je dit niet, dan sta je in zonde voor God. God houdt niet van dwaze woorden en loze beloften. Ook de apostel Jakobus laat dit duidelijk in zijn brief zien. De woorden die hij schrijft, dienen wij in het verlengde van Deuteronomium te zien. De brief van Jakobus is immers geschreven aan Israël (Jak. 1:1), dat zich in de Handelingentijd nog gewoon aan de wet moest houden.

Laten wij eens kijken naar één van die passages uit de brief van Jakobus: "Als iemand onder u denkt dat hij godsdienstig is, en hij zijn tong niet in toom houdt, maar zijn hart misleidt, dan is zijn godsdienst zinloos. De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en de Vader is dit: wezen en weduwen bezoeken in hun verdrukking en zichzelf onbesmet bewaren van de wereld" (Jak. 1:26-27, herziene SV).

Wat Jakobus hier wil leren is, dat wie meent God te eren, maar dwaasheid, leugens, loze beloften, etc. spreekt, dat die persoon zijn hart voorliegt. Zijn godsdienst is zonder enige waarde. Werkelijk dienen van God, uit zich niet in woorden, maar in daden, voortkomend uit liefde voor de naaste.

Nu moeten wij uitkijken om dat wat Jakobus schrijft, zomaar op ons zelf toe te passen. Jakobus schreef immers aan Israël onder de wet. Hij predikte daarbij rechtvaardiging mede door werken (Jak. 2:23). Dit was iets dat door de apostel die door God tot verkondiging aan de volken was aangesteld, namelijk Paulus, niet geleerd werd. Hij leerde eerst dat gelovigen om niet gerechtvaardigd worden uit Gods genade (Rom. 3:24). Later gaat Paulus nog een stap verder wanneer hij leert dat gelovigen (waar ook wij toe behoren) behouden worden door genade en niet uit werken (Efe. 2:8-9).

De leugen afgelegd

Ons uitgangspunt hoort dus te zijn dat wij aansluiten bij wat Paulus leert. Het beste kunnen wij daarvoor naar Efeze 4 gaan en zien wat ons daar geleerd wordt. Uitgangspunt hierbij is de herziene Statenvertaling, met vanaf vers 22 enige correcties in de tijdsbepaling:

"Maar u hebt Christus zo niet leren kennen, als u Hem tenminste gehoord hebt en door Hem bent onderwezen, zoals de waarheid in Jezus is, namelijk dat u, wat betreft de vroegere levenswandel, de oude mens afgelegd hebt, die te gronde gaat door de misleidende begeerten, en dat u vernieuwd bent in de geest van uw denken en u bekleedt hebt met de nieuwe mens, die overeenkomstig het beeld van God geschapen is, in ware rechtvaardigheid en heiligheid. Gij hebt de leugen afgelegd. Spreek de waarheid, ieder tegen zijn naaste; wij zijn immers leden van elkaar" (Efe. 4:20-25).

Heel vaak wordt ons geleerd dat wij de oude mens met zijn leugens af moeten leggen. Dit is vooral ingegeven door een onjuiste vertaling van dit gedeelte uit Efeze door de verschillende Bijbelvertalers. Daarbij hebben wij ook toch vaak de drang om ons zelf toch maar weer ergens onder een wet te plaatsen. Wij willen zo graag zelf wat doen om ons heil te bewerken.

Vanuit Efeze 4 (zie ook Rom. 6:6 en Kol. 3:9-10) leren wij echter dat wij in Christus onze vroegere levenswandel, inclusief de leugen, hebben afgelegd. Nu zijn wij vernieuwd door de geest van ons denken en bekleedt met de nieuwe mens. Het oude en verkeerde ligt achter ons als een vod op de grond. In plaats daarvan zijn wij nu bekleed in Christus met rechtvaardigheid en heiligheid. Wij hoeven de leugen niet meer af te leggen, wij hebben deze reeds afgelegd. Natuurlijk kunnen wij tot de leugen terugkeren, maar zouden wij dit doen nu wij Christus kennen en in Zijn dienst gekomen zijn?

Wat voor effect heeft dit op ons? Nu, toen Israël onder de wet leefde, moest men het zondige laten en het goede gaan doen. Dit was echter een onmogelijkheid zo laat Paulus ons in Romeinen zien: "Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik" (Rom. 7:19, herziene SV). Voor ons ligt het nu anders en mag dit laatste gepasseerd station zijn. Wij zijn met Christus afgestorven aan de elementen van deze zondige kosmos (Kol. 3:20, herziene SV). In Christus Jezus zijn wij door de wet van geest van het leven vrijgemaakt van de wet van de zonde (Rom. 8). Wij hebben nu de gezindheid van geest van God. Dit houdt in dat, ook al probeert de zonde nog steeds aan ons te trekken, wij niet naar haar hoeven luisteren. Wij staan in de vrijheid van het nieuwe leven van de nieuwe mens, gevoed door geest van leven en Gods Woord.

Deel deze pagina via

Even een vraag

Fake nieuws:

Volg ons via twitter @egkaleo

Amen

Veel bijbelstudies op onze site
komen van bijbelmagazine Amen.
Meer weten over dit unieke blad
kijk dan snel op amen.nl

Abonneer je op Amen

Agenda

  • 17 12 2017
    samenkomst met Frans Voskamp 10:00 tot 11:30

Recente preken

Loading Player...

Vers van de dag

Romeinen 14:13-13
Laat ons dan elkander niet meer oordelen; maar oordeelt dit liever, namelijk, dat gij den broeder geen aanstoot of ergernis geeft.