|
1 Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten, zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
|
De Geest spreekt tot de Zoon
|
|
2 Ik zeg tegen de HEERE: Mijn toevlucht en mijn burcht, mijn God, op Wie ik vertrouw!
|
De Zoon
|
|
3 Want Híj zal u redden van de strik van de vogelvanger, van de zeer verderfelijke pest.
|
De Geest
|
|
4 Hij zal u beschutten met Zijn vlerken, onder Zijn vleugels zult u de toevlucht nemen, Zijn trouw is een schild en een pantser.
|
De Geest
|
|
5 U zult niet vrezen voor het beangstigende van de nacht, voor de pijl die overdag aan komt vliegen,
|
De Geest
|
|
6 voor de pest, die in het donker rondgaat, voor het verderf dat midden op de dag verwoest.
|
De Geest
|
|
7 Al zullen er duizend vallen aan uw zijde en tienduizend aan uw rechterhand – bij u zal het onheil niet komen.
|
De Geest
|
|
8 Slechts met uw ogen zult u het aanschouwen, u zult de vergelding aan de goddelozen zien.
|
De Geest
|
|
9 Want U, HEERE, bent mijn toevlucht. 9B of 10a De Allerhoogste hebt u tot uw woning gemaakt.
|
De Zoon / de Geest
|
|
10 Geen onheil zal u overkomen, geen plaag zal uw tent naderen.
|
De Geest
|
|
11 Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven dat zij u bewaren op al uw wegen.
|
De Geest
|
|
12 Zij zullen u op de handen dragen, zodat u uw voet aan geen steen stoot.
|
De Geest
|
|
13 Op de felle leeuw en de adder zult u trappen, u zult de jonge leeuw en de slang vertrappen.
|
De Geest
|
|
14 Omdat hij liefde voor Mij opgevat heeft, zegt God, zal Ik hem bevrijden; Ik zal hem in een veilige vesting zetten, want hij kent Mijn Naam.
|
De Heere
|
|
15 Hij zal Mij aanroepen en Ik zal hem verhoren, in de benauwdheid zal Ik bij hem zijn, Ik zal hem eruit helpen en hem verheerlijken.
|
De Heere
|
|
16 Ik zal hem met lengte van dagen verzadigen, Ik zal hem Mijn heil doen zien.
|
De Heere |